Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AO4318

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-10-2004
Datum publicatie
29-10-2004
Zaaknummer
39168
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AO4318
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2002:AP4592
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

- GDT

- Algemene indelingsregels 2b en 3a

- Mengsel

- Samenverpakte erwten en suiker

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2005/54 met annotatie van B.A. van Brummelen
FED 2004/625
WFR 2004/1675, 1
FutD 2004-1991
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 39.168

29 oktober 2004

EC

gewezen op het beroep in cassatie van X N.V. te Z (België) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 17 december 2002, nr. 00/90204 DK (voorheen: 0204/00TC), betreffende na te melden beschikking, houdende een bindende tarief-inlichting.

1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is op haar verzoek door de Inspecteur bij beschikking een bindende tariefinlichting verstrekt. Het tegen deze beschikking ingediende bezwaar is door de Inspecteur bij uitspraak afgewezen.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Tariefcommissie. Het Hof, dat met ingang van 1 januari 2002 in de plaats is getreden van de Tariefcommissie, heeft het beroep gegrond verklaard en de uitspraak van de Inspecteur alsmede de bindende tariefinlichting vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal J.A.C.A. Overgaauw heeft op 28 januari 2004 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Het gaat om zogenoemde big bags, gevuld met gedroogde, groene consumptie-erwten (pisum sativum) en witte kristalsuiker, samen 1000 kg netto wegend; daarvan is het gewichtspercentage erwten 51 %, en dat van de suiker 49 %. Het volumepercentage van de erwten bedraagt 63,75 tegenover 36,25 van de suiker. De waarde van de erwten bedraagt ongeveer DEM 355 per 1000 kg netto; de suiker heeft een waarde van ongeveer DEM 340 per 1000 kg netto.

3.1.2. Het Hof heeft een door partijen als representatief beschouwd monster, verpakt in een transparant plastic zakje, ontvangen. Het Hof heeft geconstateerd dat de suiker in zijn geheel naar beneden was gezakt, en dat de erwten daar los bovenop lagen.

3.2. Belanghebbende heeft de Inspecteur verzocht om afgifte van een bindende tariefinlichting met indeling onder post 0713 10 90 van het Gemeenschappelijk Douanetarief (hierna: het GDT), te weten als erwten. De Inspecteur heeft post 1701 99 10 van het GDT toegepast, die ziet op witte suiker.

3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat ten aanzien van de samen verpakte erwten en suiker niet gesproken kan worden van een mengsel of samengesteld goed in de zin van de algemene indelingsregel 2b en dat de samen verpakte goederen ieder afzonderlijk in het GDT moeten worden ingedeeld. Het Hof heeft daartoe redengevend geoordeeld dat niet aannemelijk is dat door samenvoeging in één verpakking van gedroogde erwten en kristalsuiker in de onder 3.1.1 vermelde verhouding een product met een eigen economische en industriële betekenis is ontstaan, en dat de samenstellende delen zich blijvend vermengen.

Tegen deze oordelen richten zich de middelen.

3.4. Middel 1 bevat de klacht dat het Hof buiten de rechtsstrijd is getreden door te oordelen dat niet aannemelijk is geworden dat het product een eigen economische en industriële betekenis heeft. Deze klacht faalt, gelet op hetgeen de Inspecteur voor het Hof heeft aangevoerd. Verwezen zij naar hetgeen de Advocaat-Generaal heeft opgemerkt in onderdeel 4.3 van zijn conclusie.

Het middel betoogt voorts dat dit oordeel onbegrijpelijk is, althans onvoldoende gemotiveerd. Ook dat onderdeel van het middel faalt, omdat het oordeel berust op een aan het Hof voorbehouden waardering van de bewijsmiddelen.

3.5. Middel 2 houdt in dat het Hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting betreffende de uitleg van het begrip mengsel in de zin van algemene indelingsregel 2b van de gecombineerde nomenclatuur.

Deze indelingsregel houdt onder meer in dat onder een in een post vermelde stof niet alleen wordt verstaan die stof in zuivere staat, doch ook vermengd of verbonden met andere stoffen, en dat een dergelijk mengsel wordt ingedeeld met inachtneming van de in de derde indelingsregel vermelde beginselen. Anders dan het middel betoogt, is het vorenstaande niet zonder meer van toepassing bij de tariefindeling van verschillende - naar de soort bepaalde - producten in één verpakking, als de onderwerpelijke erwten en suiker. Voor de toepassing van de indelingsregels dient allereerst te worden vastgesteld of het voorliggende object moet worden aangemerkt als één goed of soort product dan wel verschillende goederen of soorten producten. Uit 's Hofs uitspraak volgt dat het Hof inderdaad deze regel als uitgangspunt heeft genomen. Het Hof heeft daarvan uitgaande geoordeeld dat de onderwerpelijke samen verpakte erwten en suiker ieder afzonderlijk moeten worden ingedeeld. Daarin ligt besloten het oordeel dat deze niet tezamen één goed of soort product in de zin van het GDT zijn. Dit oordeel en de daarvoor gebezigde maatstaven geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P. Lourens en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2004.