Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AO4256

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-05-2004
Datum publicatie
14-05-2004
Zaaknummer
C03/020HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AO4256
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

14 mei 2004 Eerste Kamer Nr. C03/020HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats], EISERES tot cassatie, advocaat: mr. J.B.M.M. Wuisman, t e g e n NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V., gevestigd te 's-Gravenhage, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. D. Rijpma. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 250
NJ 2006, 3
S&S 2005, 38
JWB 2004/191

Uitspraak

14 mei 2004

Eerste Kamer

Nr. C03/020HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres],

gevestigd te [vestigingsplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. J.B.M.M. Wuisman,

t e g e n

NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. D. Rijpma.

1. Het geding in feitelijke instanties

Energie Delfland N.V., gevestigd te Delft - verder te noemen: Delfland - heeft bij exploot van 15 februari 1996 eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - gedagvaard voor de rechtbank te Arnhem en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eiseres] te veroordelen om aan Delfland te betalen een bedrag van ƒ 140.675,91, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente.

In dat geding heeft [eiseres] incidenteel gevorderd dat de rechtbank de oproeping in vrijwaring van [A] B.V. te [plaats], hierna: [A], en thans verweerster in cassatie - verder te noemen: Nationale-Nederlanden - zal gelasten.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 26 september 1996 [eiseres] toegestaan om van [A] en Nationale-Nederlanden in vrijwaring te dagvaarden.

Bij exploten van 16 oktober 1996 heeft [eiseres] [A] en Nationale-Nederlanden in vrijwaring gedagvaard en gevorderd [A] en Nationale-Nederlanden hoofdelijk des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd te veroordelen al datgene tegen kwijting te betalen waartoe [eiseres] in de hoofdzaak bij dat vonnis ten behoeve van Delfland mocht worden veroordeeld.

[A] en Nationale-Nederlanden hebben de vordering in vrijwaring bestreden.

De rechtbank heeft bij vonnis van 29 oktober 1998 de vorderingen afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem.

Bij arrest van 17 september 2002 heeft het hof [eiseres] niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep van het vonnis van de rechtbank te Arnhem van 29 oktober 1998 voor zover daarin haar vordering tegen [A] is afgewezen en het vonnis van die rechtbank van 29 oktober 1998 voor zover dit is gewezen tussen [eiseres] en Nationale-Nederlanden bekrachtigd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof, voor zover gewezen in het geding tegen Nationale-Nederlanden, heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Nationale-Nederlanden heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot vernietiging van 's hofs arrest.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) In september 1993 zijn door [eiseres] machinale graafwerkzaamheden uitgevoerd. Bij de werkzaamheden werd gebruik gemaakt van een van [A] gehuurde graafmachine met machinist. De machinist, [betrokkene 1], was in dienst bij [A].

(ii) Tijdens de graafwerkzaamheden is op 13 september 1993 een tweetal naast elkaar gelegen, zich in de grond bevindende, aan Delfland in eigendom toebehorende elektriciteitskabels beschadigd.

(iii) [Eiseres] is in de hoofdzaak veroordeeld tot vergoeding van de schade van Delfland.

(iv) Door [A] is met Nationale-Nederlanden met betrekking tot de graafmachine een verzekeringsovereenkomst gesloten, in de polis aangeduid als "Verzekering voor Werk-/Landbouwmaterieel en Ongekentekende voertuigen". Voor zover in cassatie van belang houdt deze het navolgende in:

"8.2. Verzekerden bij overige aansprakelijkheid zijn:

a. de verzekeringnemer;

b. de bezitter, de bestuurder en de passagiers van een verzekerd object;

c. de houder, indien hij:

- aansprakelijk is voor een gedekte schade die door een onder a. of b. genoemde verzekerde is veroorzaakt,

- niet onder een andere verzekering voor deze aansprakelijkheid is gedekt."

(v) [Eiseres] is houder in de zin van deze polisbepaling onder c.

(vi) [Betrokkene 1] treft geen verwijt aan de onder (ii) bedoelde schade.

3.2 Aan zijn vordering tegen Nationale-Nederlanden heeft [eiseres], blijkens grief II, in hoger beroep ten grondslag gelegd dat zij als houder in de zin van het in 3.1 onder (iv) geciteerde art. 8.2 van de polis moet worden beschouwd, zodat haar een rechtstreeks beroep op de verzekeringsovereenkomst toekomt. Het hof heeft op deze grondslag de toewijsbaarheid van de vordering onderzocht en deze afgewezen met de overweging, kort gezegd, dat in hoger beroep vaststond dat [betrokkene 1] ter zake van de schade geen verwijt trof en dat deze daarom in redelijkheid niet als veroorzaker van de schade dient te worden aangemerkt, zodat [eiseres] geen verzekerde in de zin van de polis is (rov. 4.6).

3.3.1 Het uit twee onderdelen bestaande middel is gericht tegen rov. 4.6 van het bestreden arrest. Het eerste onderdeel klaagt dat het hof niet, althans onvoldoende, duidelijk maakt welke betekenis het toekent aan het begrip 'veroorzaken' in art. 8.2 onder c. van de polisvoorwaarden, waardoor het niet voldoende inzicht in zijn gedachtegang heeft gegeven. Deze klacht mist feitelijke grondslag. Het hof, dat blijkens rov. 4.6 voor zijn oordeel dat [betrokkene 1] in redelijkheid niet als veroorzaker van de schade dient te worden aangemerkt als redengevend heeft bestempeld dat de machinist niet het verwijt kan worden gemaakt dat hij bij de graafwerkzaamheden onvoorzichtig te werk zou zijn gegaan, heeft de polisbepaling kennelijk aldus uitgelegd dat met 'veroorzaakt' wordt bedoeld dat ter zake van de schade aan de onder a. of b. bedoelde verzekerde - in dit geval: aan de bestuurder - verwijt treft.

3.3.2 Het tweede onderdeel bestrijdt deze uitleg van het polisbeding met een rechts- (2a) en een motiveringsklacht (2b). De rechtsklacht komt erop neer dat het hof, in strijd met de wijze waarop de betekenis van een contractuele bepaling dient te worden vastgesteld, niet heeft onderzocht hoe [eiseres] art. 8.2 onder c. van de polisvoorwaarden in redelijkheid heeft kunnen en mogen begrijpen en geen betekenis heeft toegekend aan de tekst van die bepaling, de overige inhoud en de aard van de verzekeringsovereenkomst en de verdere omstandigheden van het geval.

3.3.3 Deze klacht faalt. Het oordeel van het hof geeft niet blijk van miskenning van de bij de uitleg van een verzekeringsovereenkomst als de onderhavige toe te passen maatstaf. Het hof behoefde die maatstaf niet met zoveel woorden in zijn arrest te vermelden, zulks te minder nu [eiseres] zich voor de aan art. 8.2 van de polisvoorwaarden te geven uitleg niet in het bijzonder op een van de in de klacht genoemde bij de uitleg te betrekken factoren had beroepen.

3.3.4 De motiveringsklacht houdt in dat 's hofs oordeel dat met 'veroorzaakt' in art. 8.2 onder c. wordt bedoeld dat ter zake van de schade aan de onder a. of b. bedoelde verzekerde verwijt treft en dat dus niet voldoende is dat de verzekerde bestuurder bij het toebrengen van de schade met het verzekerd object betrokken was omdat hij op dat moment dat object als bestuurder bediende, niet naar de eisen van de wet is gemotiveerd, in het licht van de omstandigheden (i) dat die polisbepaling niet meer inhoudt dan dat de schade door - voor zover hier van belang - de bestuurder moet zijn veroorzaakt, (ii) dat in art. 10 van de voorwaarden wordt gesproken van 'schade veroorzaakt' door zekere voorwerpen, zonder de eis van fouten te stellen, (iii) dat in art. 9.1 van de voorwaarden de dekking van de verzekering wordt omschreven als die voor aansprakelijkheid van de verzekerde voor 'schade met of door het verzekerd object toegebracht aan personen en/of goederen', wederom ongeacht of die schade is terug te voeren op een gebrek van het verzekerde object, een fout van de bestuurder of van iemand op wiens aanwijzingen het object gebruikt werd en (iv) het hof geen omstandigheden heeft genoemd die, kort gezegd, ondanks het vorenstaande, de uitleg die het hof aan de polisbepaling heeft gegeven, meebrengen.

3.3.5 Deze klacht is gegrond. Vooropgesteld wordt dat volgens de bewoordingen daarvan art. 8.2 onder c. voor dekking van de aansprakelijkheid van de houder wel de eis stelt dat de schade door een van de onder a. of b. genoemde verzekerden - hier: de bestuurder - is veroorzaakt, doch daaraan geen verdere eisen verbindt. Bij pleidooi in hoger beroep is in verband met de uitleg van de polis namens [eiseres] gewezen op art. 9.1 van de voorwaarden, dat, onder het hoofd 'Omschrijving van de dekking', bepaalt:

"De verzekeraar dekt de aansprakelijkheid van de verzekerden voor schade met of door een verzekerd object, toegebracht aan personen en/of goederen."

Deze bepaling, waarin de dekking evenmin afhankelijk is van nadere eisen, gesteld aan het 'toebrengen van de schade door het verzekerde object', volgt op het in het geding zijnde art. 8; beide maken deel uit van de rubriek 'Bijzondere voorwaarden aansprakelijkheidsverzekering'. Gelet op de strekking van deze bepaling om dekking te verlenen voor aansprakelijkheid bij het gebruik van de graafmachine, valt zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet in te zien waarom voor de dekking onder art. 8.2 onder c. de eis gesteld zou moeten worden dat de bestuurder verwijt treft ter zake van de schade, zoals het hof heeft beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te Arnhem van 17 september 2002;

verwijst het geding naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt Nationale-Nederlanden in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 1.906,36 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren D.H. Beukenhorst, A.M.J. van Buchem-Spapens, A. Hammerstein en E.J. Numann, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 14 mei 2004.