Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AO3876

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-05-2004
Datum publicatie
14-05-2004
Zaaknummer
R03/105HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AO3876
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

14 mei 2004 Eerste Kamer Rek.nr. R03/105HR JMH/IS Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De man], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand, t e g e n [De vrouw], wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. M.J.W. Hoek. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 245
NJ 2004, 371
RvdW 2004, 73
EB 2004, 65
JWB 2004/180

Uitspraak

14 mei 2004

Eerste Kamer

Rek.nr. R03/105HR

JMH/IS

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De man],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand,

t e g e n

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. M.J.W. Hoek.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 18 februari 2002 ter griffie van de rechtbank te 's-Gravenhage ingekomen verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - zich gewend tot die rechtbank en verzocht met wijziging van de beschikking van die rechtbank van 18 april 1997 met ingang van 1 januari 2001, althans subsidiair vanaf 18 februari 2002, dan wel op een ander door de rechtbank in goede justitie te bepalen tijdstip, de uitkering tot haar levensonderhoud te bepalen op ƒ 3.250,-- per maand, althans op zodanig bedrag als de rechtbank juist acht, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

De man heeft het verzoek bestreden en op zijn beurt verzocht de bijdrage in het levensonderhoud te verlagen tot een nog nader te bepalen huwelijksgerelateerde behoefte en voorts deze bijdrage in duur te beperken tot 27 juni 2007, dan wel een zodanige bijdrage te bepalen en deze te beperken in de duur als de rechtbank in goede justitie redelijk acht.

De rechtbank heeft bij beschikking van 9 juli 2002 met wijziging in zoverre van voormelde beschikking de door de man met ingang van 1 januari 2001 te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw bepaald op € 995,59 (ƒ 2.194,20) per maand, deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en het meer of anders verzochte afgewezen.

Tegen deze beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij beschikking van 4 juni 2003 heeft het hof de bestreden beschikking vernietigd en, opnieuw beschikkende, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 18 april 1997 van voormelde rechtbank de alimentatie voor de vrouw ten laste van de man met ingang van 1 januari 2001 bepaald op € 1.400,-- (ƒ 3.085,19) per maand en met ingang van 1 januari 2003 op € 1.200,-- per maand, deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en het meer of anders verzochte afgewezen.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vrouw heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van de man heeft bij brief van 27 februari 2004 op deze conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Bij beschikking van 18 april 1997 heeft de rechtbank tussen partijen echtscheiding uitgesproken. Bij deze beschikking, die op 27 juni 1997 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, is onder meer bepaald dat de uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw ƒ 2.250,-- (€ 1.021,01) per maand zal bedragen.

Op 18 februari 2002 heeft de vrouw de rechtbank verzocht, met wijziging van de beschikking van 18 april 1997, de aan haar te betalen alimentatie ten laste van de man met ingang van 1 januari 2001, althans vanaf 18 februari 2002 of vanaf een datum die de rechtbank juist acht, vast te stellen op ƒ 3.250,-- (€ 1.474,79) per maand, althans een bedrag dat de rechtbank juist acht. De man heeft tegen dit verzoek verweer gevoerd en zijnerzijds verzocht de alimentatie te verlagen en deze in duur te beperken tot 27 juni 2007. De rechtbank heeft bij beschikking van 9 juni 2002 de alimentatie voor de vrouw bepaald op € 995,59 (ƒ 2.194,20) per maand en het meer of anders verzochte afgewezen.

3.2 Het hof heeft in de bestreden beschikking geoordeeld dat sprake is van een wijziging van omstandigheden - daling van het inkomen van de vrouw uit uitkeringen, hetgeen door de man is erkend - en het heeft de behoefte van de vrouw aan een aanvullende alimentatie opnieuw vastgesteld. Het heeft bij de bestreden beschikking de beschikking van de rechtbank van 9 juli 2002 vernietigd en de alimentatie voor de vrouw bepaald op € 1.400,-- (ƒ 3.085,19) met ingang van 1 januari 2001 en op € 1.200,-- per maand met ingang van 1 januari 2003. Het hof heeft daartoe rekening gehouden met een aantal door de vrouw opgevoerde uitgaven (rov. 6) en het heeft vervolgens mede in aanmerking genomen dat de vrouw in de loop der jaren veelvuldig heeft bijgedragen in de kosten van de studie en het levensonderhoud van de - inmiddels sinds de zomer van 2002 onderscheidenlijk sinds 1 april 2003 economisch onafhankelijke - jong-meerderjarige kinderen van partijen, daar de man niet meer dan ƒ 300,-- per maand en per kind betaalde, hetgeen niet voldoende was om in de kosten van hun levensonderhoud en studie te voorzien (rov. 7).

3.3 Klacht 3 gaat veronderstellenderwijs ervan uit dat de vrouw de door haar gestelde bijdragen aan de zoons heeft betaald en bestrijdt als onjuist het oordeel van het hof in rov. 7 van zijn beschikking dat met deze bijdragen rekening moet worden gehouden bij de vaststelling van de door de man ten behoeve van de vrouw te betalen bijdrage voor haar levensonderhoud.

Bij de beoordeling van deze klacht moet worden vooropgesteld dat ingevolge art. 1:395a BW ouders verplicht zijn te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie van hun, gewoonlijk als jong-meerderjarig aangeduide, kinderen, dat wil zeggen hun meerderjarige kinderen die de leeftijd van een en twintig jaar niet hebben bereikt; deze kinderen hebben een eigen aanspraak jegens ieder van beide ouders die zij zo nodig zelfstandig en rechtstreeks in rechte geldend kunnen maken. Aan de ouders onderling komt geen verhaalsaanspraak toe ter zake van voor zodanige kinderen bestede kosten voor studie en levensonderhoud (HR 28 april 1995, nr. 15654, NJ 1996, 102).

Nu blijkens dit arrest de alimentatiegerechtigde ouder - met de term "alimentatiegerechtigde (ouder)" onderscheidenlijk de hierna eveneens te gebruiken term "alimentatieplichtige (ouder)" doelt de Hoge Raad op de ouder die na echtscheiding jegens de andere ouder tot alimentatie gerechtigd respectievelijk verplicht is - geen directe mogelijkheden heeft uitgaven die deze heeft gedaan ter voorziening in de kosten van studie en levensonderhoud van jong-meerderjarige kinderen, op de andere, alimentatieplichtige, ouder te verhalen, bestaat er geen grond en past het ook niet in het stelsel van de wet de mogelijkheid te scheppen de in dit arrest aanvaarde regel te ontgaan en een indirecte verhaalsmogelijkheid te scheppen door deze uitgaven in aanmerking te nemen bij het bepalen van de behoefte van de alimentatiegerechtigde ouder. Hierbij verdient in de eerste plaats aantekening dat bezwaarlijk kan worden gezegd dat hetgeen de alimentatiegerechtigde ouder aldus op indirecte wijze verhaalt, strekt tot voorziening in het levensonderhoud van deze ouder. Voorts merkt de Hoge Raad op dat, zoals ook hiervoor is overwogen, de jong-meerderjarige zelf een rechtstreekse aanspraak heeft niet alleen jegens de alimentatiegerechtigde ouder, maar ook jegens de alimentatieplichtige ouder, en niet valt in te zien waarom een jong-meerderjarige die behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van studie en levensonderhoud, zich voor het verkrijgen daarvan niet zelf tot de alimentatieplichtige ouder kan wenden.

De tegen 's hofs rov. 7 gerichte klacht is derhalve gegrond.

3.4 De gegrondbevinding van klacht 3 betekent dat de bestreden beschikking moet worden vernietigd en verwijzing moet volgen. De overige in het middel aangevoerde klachten behoeven geen behandeling, nu in een geding tot wijziging van de door een echtgenoot aan de andere echtgenoot te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud na verwijzing de zaak in volle omvang opnieuw moet worden onderzocht en deze klachten derhalve voor zover nodig na verwijzing nog aan de orde kunnen komen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 4 juni 2003;

verwijst het geding naar het gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, A.M.J. van Buchem-Spapens, P.C. Kop en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 14 mei 2004.