Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AO3873

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-02-2004
Datum publicatie
20-02-2004
Zaaknummer
R03/055HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AO3873
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

20 februari 2004 Eerste Kamer Rek.nr. R03/055HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. D.Th.J. van der Klei, t e g e n Mr. Otto Evert DE WITT WIJNEN, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Delcon Nederland B.V. kantoor houdende te Rotterdam, VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. H.J.A. Knijff. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 69
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 88
NJ 2004, 252
Ondernemingsrecht 2004, 82
JWB 2004/69
JOR 2004/121 met annotatie van A. van Hees
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 februari 2004

Eerste Kamer

Rek.nr. R03/055HR

JMH/AT

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[verzoeker], wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. D.Th.J. van der Klei,

t e g e n

Mr. Otto Evert DE WITT WIJNEN, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Delcon Nederland B.V. kantoor houdende te Rotterdam,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. H.J.A. Knijff.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 5 februari 2003 ter griffie van de rechtbank te Breda op de voet van art. 69 F ingediend verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie - verder te noemen: [verzoeker] - zich gewend tot de rechter-commissaris in die rechtbank en onder meer verzocht een bevel te verkrijgen om op kosten van de boedel aan de Belastingdienst en UWV een ambtshalve vermindering van de naheffingsaanslagen en de correctienota's te verzoeken en de bij de inmiddels gefaillieerde Delcon Nederland B.V. nageheven loonbelasting op haar werknemers te verhalen.

Verweerder in cassatie - verder te noemen: de curator - heeft het verzoek bestreden en verzocht [verzoeker] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek.

De rechter-commissaris heeft bij beschikking van 28 februari 2003 [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek.

Tegen deze beschikking heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld bij de rechtbank te Breda.

Bij beschikking van 25 april 2003 heeft de rechtbank voormelde beschikking van de rechter-commissaris bekrachtigd.

De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de rechtbank heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatie-rekest en het aanvullend verzoekschrift zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

De curator heeft verzocht [verzoeker] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn cassatieberoep, althans het beroep te verwerpen.

[Verzoeker] heeft bij verweerschrift het beroep op niet-ontvankelijkheid bestreden.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van [verzoeker] heeft bij brief van 31 december 2003 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

3.1.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten die zijn vermeld onder 1 van de conclusie van de Advocaat-Generaal. Kort samengevat, komen deze feiten op het volgende neer. [Verzoeker] was tot 27 augustus 1999 enig bestuurder en tevens via Beheermaatschappij Wero B.V. enig aandeelhouder van Delcon Nederland B.V. (verder te noemen: Wero onderscheidenlijk Delcon). Delcon is op 29 februari 2000 in staat van faillissement verklaard. Wero is schuldeiseres van Delcon. De curator heeft bij brief van 19 maart 2001 [verzoeker] op de voet van art. 2:248 BW aansprakelijk gesteld.

3.1.2 Op 5 februari 2003 heeft [verzoeker] een verzoek gedaan aan de rechter-commissaris tot het verkrijgen van een bevel om de curator enige, in het verzoek nader omschreven, handelingen te laten verrichten als bedoeld in art. 69 F. De rechter-commissaris heeft [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek. De rechtbank heeft de beschikking van de rechter-commissaris bekrachtigd. Daartegen keren zich de middelen.

3.2.1 Aan middel 1 ligt de opvatting ten grondslag dat de bestuurder van een vennootschap die op de voet van art. 2:248 BW jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk is voor het bedrag van de schulden voorzover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, crediteur is van de (failliete) vennootschap (onder de opschortende voorwaarde van voldoening aan de boedel).

3.2.2 Die opvatting kan echter niet worden aanvaard. De bestuurder die uit hoofde van art. 2:248 een bedrag aan de boedel betaalt teneinde deze in staat te stellen schulden van de vennootschap te betalen voorzover deze niet door vereffening kunnen worden voldaan, krijgt daardoor niet een regresrecht op de boedel en wordt dus door deze betaling ook niet (voorwaardelijk) schuldeiser van de boedel. Het toekennen van een regresrecht valt immers niet te rijmen met de verplichting van de bestuurder om het tekort van de boedel aan te vullen, omdat daardoor het boedeltekort in feite in stand zou blijven. Het is ook niet in overeenstemming met de aard van de aansprakelijkheid die op de bestuurder rust op grond van art. 2:248. Derhalve faalt het middel in zijn beide onderdelen.

3.3 Middel 2 komt op tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 3.6. Daarin heeft de rechtbank, samengevat weergegeven, overwogen dat Wero haar positie als schuldeiser misbruikt aangezien zij haar bevoegdheid als schuldeiser in de zin van art. 69 F. slechts uitoefent met het doel door middel van lastgeving aan [verzoeker] een rechtsingang te creëren voor [verzoeker], welke hem krachtens de wet niet toekomt. De rechtbank was kennelijk van oordeel dat Wero niet heeft aangetoond dat zij een eigen belang heeft bij de gevraagde bevelen en dat [verzoeker] uitsluitend zijn eigen belang beoogt te dienen. Dit oordeel is in het licht van de gedingstukken niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering. Middel 2 faalt derhalve.

3.4 Uit het vorenoverwogene volgt dat [verzoeker] geen belang heeft bij een behandeling van de overige middelen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [verzoeker] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curator begroot op € 267,69 aan verschotten en € 1.135,-- voor salaris.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, O. de Savornin Lohman, A. Hammerstein en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 20 februari 2004.