Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AO3859

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-05-2004
Datum publicatie
14-05-2004
Zaaknummer
C03/005HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AO3859
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2002:AF0953
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

14 mei 2004 Eerste Kamer Nr. C03/005 HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: PHILIPS INTERNATIONAL B.V., gevestigd te Eindhoven, EISERES tot cassatie, advocaat: mr. J. Groen, t e g e n DE AMBTENAAR DER GEMEENTE EINDHOVEN als bedoeld in art. 212 juncto 231 lid 2, onder c, van de Gemeentewet, gevestigd te Eindhoven, VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. R.L.H. IJzerman. 1. Het geding in voorgaande instanties...

Wetsverwijzingen
Leidraad invordering 1990, geldigheid: 2004-05-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 249
NJ 2004, 374
Belastingblad 2004/1149
JWB 2004/182

Uitspraak

14 mei 2004

Eerste Kamer

Nr. C03/005HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

PHILIPS INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. J. Groen,

t e g e n

DE AMBTENAAR DER GEMEENTE EINDHOVEN als bedoeld in art. 212 juncto 231 lid 2, onder c, van de Gemeentewet,

gevestigd te Eindhoven,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. R.L.H. IJzerman.

1. Het geding in voorgaande instanties

Voor het verloop van het geding in voorgaande instanties tussen eiseres tot cassatie - verder te noemen: Philips - en verweerder in cassatie - verder te noemen: de Ambtenaar - verwijst de Hoge Raad naar zijn arrest van 22 december 2000, NJ 2001, 68. Bij dat arrest heeft de Hoge Raad het arrest van 17 december 1998 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch vernietigd en het geding verwezen naar dat hof ter verdere behandeling en beslissing.

Bij exploot van 5 februari 2001 heeft Philips de Ambtenaar gedagvaard te verschijnen voor het gerechtshof te 's-Hertogenbosch en gevorderd bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de Ambtenaar te veroordelen om binnen tien dagen na betekening aan hem van het in deze te wijzen arrest Philips alsnog algeheel uitstel van betaling te verlenen ter zake van de aanslagen rioolrechten gebruik 1994, 1995 en 1996 totdat de belastingrechter onherroepelijk zal hebben beslist op de beroepen van Philips inzake genoemde aanslagen, althans de Hoge Raad in de door Philips tegen de uitspraken van de Belastingkamer van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch op 21 december 2000 ingestelde cassatieberoepen inzake de aanslagen rioolrechten gebruik 1994, 1995 en 1996 arrest zal hebben gewezen, mitsdien tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Philips (terug) te betalen een bedrag van ƒ 7.468.644,--, met vergoeding van de wettelijke rente zoals in het petitum van de dagvaarding na verwijzing omschreven.

Bij arrest van 10 september 2002 heeft het hof het vonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 6 maart 1998 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vordering van Philips afgewezen.

Het arrest van het hof van 10 september 2002 is aan dit arrest gehecht.

2. Het tweede geding in cassatie

Tegen laatstvermeld arrest van het hof heeft Philips beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Ambtenaar heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof.

De advocaten van Philips en de Ambtenaar hebben bij brieven van 26 februari 2004 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.

(i) Aan Philips zijn aanslagen "rioolrecht gebruik" opgelegd over de jaren 1994, 1995 en 1996, telkens te betalen in drie termijnen. Op de aanslagbiljetten is vermeld binnen welke termijn bezwaarschriften en/of verzoeken om ontheffing ingediend kunnen worden en is tevens vermeld dat het indienen hiervan niet ontheft van de verplichting tot betaling.

(ii) Philips heeft tegen elk van deze aanslagen een bezwaarschrift ingediend en daarbij telkens verzocht "om ontheffing van de verplichting tot betaling van de tijdvakken 2 en 3". Philips heeft niettemin alle termijnen van deze aanslagen betaald.

(iii) Op 13 maart 1997 is het bezwaar van Philips tegen de aanslag over 1994 verworpen. Tegen deze beslissing heeft Philips op 22 april 1997 beroep ingesteld bij (de belastingkamer van) het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

(iv) Bij brief van 29 mei 1997 is namens Philips verzocht uitstel van betaling van de aanslag over 1994 te verlenen totdat op het beroep zal zijn beslist. Tevens is namens Philips verzocht ten aanzien van de aanslagen over 1995 en 1996 uitstel van betaling te verlenen totdat op het bezwaarschrift en bij een eventueel beroep op dat beroep zal zijn beslist. In dezelfde brief wordt verzocht de reeds betaalde bedragen aan Philips te restitueren.

(v) Bij brief van 24 juni 1997 heeft het Hoofd Invordering van de gemeente hierop geantwoord:

"Uitstel van betaling voor de aanslagen rioolrecht 1994, 1995 en 1996 is ondanks de door u ingediende bezwaarschriften en beroep niet relevant nu deze inmiddels betaald zijn."

Ook het verzoek om terugbetaling werd niet gehonoreerd:

"Geen sprake is i.c. van een onverschuldigde betaling. Wanneer de door u ingediende bezwaarschriften en beroep ertoe mochten leiden dat de (materiële) verschuldigdheid geheel dan wel gedeeltelijk onjuist blijken te zijn zal terugbetaling plaatsvinden. Ingevolge artikel 28 van de Invorderingswet 1990 zal dan invorderingsrente worden vergoed."

(vi) De bezwaren van Philips tegen de aanslagen over 1995 en 1996 zijn op 9 september 1997 afgewezen. Philips is ook van die beslissingen in beroep gekomen bij (de belastingkamer van) het hof te 's-Hertogenbosch.

(vii) Bij brief van 2 oktober 1997 is namens Philips wederom verzocht met betrekking tot de drie aanslagen (1994, 1995 en 1996) een algeheel uitstel van betaling te verlenen totdat (de belastingkamer van) het hof op de beroepen zal hebben beslist. Bij brief van 12 november 1997 heeft het Hoofd Invordering aan Philips drie afzonderlijke beschikkingen, gedateerd 12 oktober 1997, toegezonden waarbij het verzoek om uitstel van betaling telkens werd afgewezen met het argument dat betaling op de aanslag reeds heeft plaatsgevonden.

(viii) De belastingkamer van het hof heeft op 21 december 2000 de drie beroepen van Philips verworpen. Tegen deze beslissingen heeft Philips cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad. Op dat beroep is nog niet beslist.

3.2 Philips heeft de Ambtenaar gedagvaard voor de rechtbank te 's-Hertogenbosch en gevorderd dat deze zal worden veroordeeld om (i) aan Philips met betrekking tot de aanslagen over 1994, 1995 en 1996 algeheel uitstel van betaling te verlenen tot de belastingkamer van het hof te 's-Hertogenbosch zal hebben beslist op de ingestelde beroepen; (ii) terug te betalen wat door Philips op deze aanslagen is betaald; (iii) aan Philips de wettelijke rente over die bedragen te vergoeden. Aan haar vorderingen heeft Philips ten grondslag gelegd dat de Ambtenaar onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door op haar verzoek om uitstel van betaling niet (in de bezwaarfase) dan wel afwijzend (in de beroepsfase) te beschikken.

3.3 De rechtbank heeft bij vonnis van 6 maart 1998 Philips in haar vorderingen niet-ontvankelijk verklaard. Na hoger beroep van Philips heeft het gerechtshof te 's-Hertogenbosch (civiele kamer) bij arrest van 17 december 1998 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd met aanvulling van gronden. Op het cassatieberoep van Philips heeft de Hoge Raad bij arrest van 22 december 2000, C 99/098, NJ 2001, 68, het arrest van het hof vernietigd en het geding naar dat hof verwezen ter verdere behandeling en beslissing.

Na deze verwijzing heeft Philips haar eis gewijzigd. Bij arrest van 10 september 2002 heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vorderingen van Philips afgewezen. Het hof was van oordeel dat de Ambtenaar de door Philips bij brieven van 28 oktober 1994, 9 mei 1995 en 10 mei 1996 gedane verzoeken (betrekking hebbend op de aanslagen over 1994, 1995 en 1996) niet heeft behoeven op te vatten als verzoeken om uitstel van betaling (rov. 2.7). Voorts was het hof van oordeel dat de vordering van Philips om de Ambtenaar te veroordelen tot het verlenen van uitstel van betaling niet kan worden toegewezen in verband met de beleidsvrijheid waarover de Ambtenaar beschikt (rov. 2.8). Aan de overige stellingen van Philips kwam het hof niet meer toe (rov. 2.9).

3.4 Onderdeel Ia klaagt dat de verwijzing door het hof naar de door hem in zijn arrest van 17 december 1998 gestelde feiten ondeugdelijk is, omdat dit arrest in cassatie is vernietigd. Het onderdeel faalt, omdat het eraan voorbij ziet dat tegen de vaststelling van de feiten in het arrest van 1998 geen middel was gericht en deze dus niet door de vernietiging van het arrest is getroffen.

3.5 Onderdeel Ib is gericht tegen rov. 2.7.1 van het bestreden arrest waarin het hof heeft overwogen dat Philips, toen een beslissing op het door haar bedoelde verzoek om uitstel van betaling uitbleef, daarnaar ook niet heeft geïnformeerd bij gelegenheid van het overleg dat met de Ambtenaar na de bezwaarschriften over de aanslagen heeft plaatsgevonden. Volgens het onderdeel heeft dit overleg plaatsgevonden met de "gemeente-inspecteur". Het onderdeel, dat een feitelijk onderzoek vergt, kan niet tot cassatie leiden, omdat in cassatie voor een dergelijk onderzoek geen ruimte bestaat.

3.6 Onderdeel Ic kan bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden, nu de door het onderdeel bestreden vaststelling van het hof alleen van belang is in verband met het gedeelte van zijn rov. 2.7.5 (vanaf: "Daar komt bij dat") dat zijn beslissing niet draagt.

3.7 Middel II bestrijdt met een reeks van klachten rov. 2.7.5 waarin het oordeel van het hof is neergelegd dat de Ambtenaar het verzoek om "ontheffing" van Philips redelijkerwijs niet heeft behoeven op te vatten als een verzoek om uitstel van betaling. Deze klachten treffen evenwel geen doel, omdat het oordeel van het hof toereikend en begrijpelijk is gemotiveerd en voor het overige, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid kan worden onderzocht.

3.8.1 Middel III is gericht tegen rov. 2.8. Daarin heeft het hof overwogen dat ook als wel een verzoek tot uitstel zou zijn gedaan, waarop vervolgens (in de bezwaarfase) niet is beslist, een vordering om de Ambtenaar te veroordelen alsnog uitstel van betaling te verlenen, niet zou kunnen worden toegewezen, omdat een dergelijke veroordeling, waarmee aan de Ambtenaar iedere beleidsvrijheid om toe- en afwijzend op het verzoek te beslissen wordt ontnomen, alleen zou kunnen worden uitgesproken in geval van een volstrekt gebonden beslissing, waarvan in dit geval geen sprake is. Naar het oordeel van het hof zou de Ambtenaar, ook indien de Leidraad Invordering 1990 zou worden gevolgd, nog beleidsvrijheid hebben om negatief op een uitstelverzoek te beslissen of daaraan voorwaarden te verbinden. Volgens het middel, dat kennelijk alleen betrekking heeft op hetgeen in de bezwaarprocedure is gebeurd, heeft het hof hiermee miskend dat de Ambtenaar als Ontvanger bij de uitoefening van zijn bevoegdheden is gebonden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het middel kan bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden, nu door de verwerping van onderdeel II is komen vast te staan dat de Ambtenaar de brieven en bezwaarschriften van Philips niet heeft behoeven op te vatten als verzoeken tot uitstel van betaling. Hierop stuit ook onderdeel IVa - dat uitdrukkelijk is beperkt tot de bezwaarfase - af.

3.9 Onderdeel IVb klaagt dat het hof heeft miskend dat Philips de onrechtmatigheid van het bestuurlijk optreden van (naar kennelijk is bedoeld:) de Ambtenaar niet alleen heeft gebaseerd op het negeren van haar bij bezwaarschrift gedane verzoeken tot ontheffing van de verplichting tot betaling, doch ook op de weigering van de Ambtenaar de verzoeken van Philips tot algeheel uitstel van betaling in beroep en in cassatie in te willigen en daaraan niet ongemotiveerd had mogen voorbijgaan. Hoewel deze laatste klacht terecht is voorgesteld, kan zij niet tot cassatie leiden. Er bestaat geen reden om aan te nemen dat de Ambtenaar in de beroepsfase tegenover Philips gehouden was de reeds door Philips betaalde bedragen terug te storten op grond van de enkele omstandigheid dat daarom door haar was verzocht nadat zij had voldaan aan haar verplichting tot betaling van de aanslag. De Leidraad Invordering 1990, indien al van overeenkomstige toepassing, verplichtte de Ambtenaar daartoe niet. Nu Philips de aanslagen over 1994 tot en met 1996 reeds had betaald, valt, anders dan het onderdeel betoogt, niet in te zien waarom zij erop mocht vertrouwen dat op haar verzoek tot uitstel van betaling in de beroepsfase positief zou worden beslist. Een verzoek tot uitstel van betaling van hetgeen reeds is betaald ter voldoening van een bestaande schuld, heeft immers geen zin meer omdat een alsnog verleend uitstel van betaling niet kan bewerkstelligen dat reeds betaalde bedragen moeten worden terugbetaald. Dit een en ander brengt mee dat verwijzing achterwege kan blijven, omdat de rechter na verwijzing tot geen ander oordeel kan komen dan dat de overblijvende vordering van Philips moet worden afgewezen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Philips in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Ambtenaar begroot op € 4.607,34 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, D.H. Beukenhorst, A. Hammerstein en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 14 mei 2004.