Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AO3858

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-04-2004
Datum publicatie
09-04-2004
Zaaknummer
C02/320HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AO3858
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

9 april 2004 Eerste Kamer Nr. C02/320HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: AGIN HOLDING B.V., gevestigd te Rotterdam, EISERES tot cassatie, advocaat: mr. R. de Mooij, t e g e n Mr. E.A.E.G.J. LIBOSAN, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [betrokkene 1], wonende te 's-Gravenhage, VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. E.A.E.G.J. Libosan. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 35
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2004, 328 met annotatie van P.J.J. van Buuren
JOL 2004, 199
NJ 2004, 331
RvdW 2004, 59
JWB 2004/143
JB 2004/201 met annotatie van C.L. Knijff
JOR 2004/181 met annotatie van B. WESSELS
RV 2014/137 met annotatie van Redactie van Rechtspraak Vermogensrecht
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 april 2004

Eerste Kamer

Nr. C02/320HR

JMH/AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

AGIN HOLDING B.V., gevestigd te Rotterdam,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. R. de Mooij,

t e g e n

Mr. E.A.E.G.J. LIBOSAN, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [betrokkene 1], wonende te 's-Gravenhage,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. E.A.E.G.J. Libosan.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: Agin - heeft bij exploot van 27 juni 1996 verweerder in cassatie - verder te noemen: de curator - gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de curator te veroordelen aan Agin tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van ƒ 400.000,--, althans een bedrag dat de rechtbank redelijk voorkomt, vermeerderd met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 19 februari 1996 tot aan de dag der algehele voldoening.

De curator heeft de vordering bestreden en in reconventie gevorderd bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht te verklaren dat de door de Staat der Nederlanden (Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij) aan [betrokkene 1] ten behoeve van diens motorviskotterschip "[A]" afgegeven visdocumenten en/of licenties, te weten: een visserij-licentie (300 pk), een tong- en scholcontigent, een garnalenvergunning en een vergunning om te vissen binnen de 12-mijls-zone, behoren tot de boedel van het faillissement van [betrokkene 1], en derhalve door de curator in diens hoedanigheid rechtsgeldig - onder geldige titel van levering - kunnen worden verkocht en overgedragen aan derden(n), en

2. Agin te veroordelen tot vergoeding van de door de boedel als gevolg van het handelen van Agin geleden en te lijden schade, ex aequo et bono te begroten op ƒ 7.500,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 1996 tot aan de dag der algehele voldoening, subsidiair te begroten op zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 1996 tot aan de dag der algehele voldoening.

Agin heeft de vorderingen in reconventie bestreden.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 17 juni 1998 in conventie de zaak naar de rol verwezen ten einde partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de in rov. 3.4, 3.5 en 3.6 vermelde punten. Na aktewisseling door partijen heeft de rechtbank bij eindvonnis van 28 april 1999 in conventie de vordering afgewezen en in reconventie voor recht verklaard dat de hiervoor genoemde visdocumenten en/of licenties indertijd tot de daar genoemde faillissementsboedel zijn gaan behoren en dat zij daardoor vatbaar zijn geworden voor verkoop door de curator en vervolgens voor overdracht onder de voorwaarden die door de van toepassing zijnde uitvoeringsmaatregelen daaraan worden gesteld, en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Tegen beide vonnissen heeft Agin hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij arrest van 16 juli 2002 heeft het hof de bestreden vonnissen bekrachtigd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft Agin beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding en de twee herstelexploten zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De curator heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De curator heeft zelf de zaak schriftelijk toegelicht.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Een onderhandse akte van 1 oktober 1993 vermeldt dat [betrokkene 1] voor een bedrag van ƒ 226.762,24 een aantal visdocumenten aan Agin heeft verkocht en overgedragen. De koopsom werd verrekend met een vordering van Agin op [betrokkene 1].

(ii) [Betrokkene 1] heeft in die akte verklaard Agin alle medewerking te zullen verlenen om de tenaamstelling van de documenten bij het Ministerie te doen wijzigen in B.V. Agin Holding.

(iii) De onder (i) genoemde visdocumenten, die de Staat aan [betrokkene 1] heeft verleend/toegekend voor het vissen door [betrokkene 1] met het motorschip [A], omvatten:

a. een licentie tot het uitoefenen van de tong- en scholvisserij;

b. een vergunning voor het vissen op garnalen;

c. een contingent per 1 januari 1993 van 2310 kg schol;

d. een contingent per 1 januari 1993 van 1090 kg tong;

e. een vergunning om te vissen binnen de 12 mijlszone

(hierna samen ook te noemen: de visdocumenten).

(iv) Verzoeken tot overdracht van de onder a, c en d genoemde licentie en contingenten zijn naar het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij gezonden en daar op 9 november 1993 ontvangen. Op de betrokken formulieren is verzocht de toekenning van de overgedragen licentie en contingenten aan te houden voor een nader door Agin aan te wijzen vissersvaartuig.

(v) [Betrokkene 1] is op 17 januari 1996 failliet verklaard. De visdocumenten zijn door de curator aan een derde verkocht.

3.2 Aan de hiervóór in 1 vermelde vordering heeft Agin ten grondslag gelegd dat de curator onrechtmatig heeft gehandeld door de visdocumenten die in eigendom aan Agin toebehoren aan een derde te verkopen. De curator heeft daartegenover gesteld (en ten grondslag gelegd aan de in reconventie gevorderde verklaring voor recht) dat de visdocumenten tot de faillissementsboedel behoren, aangezien (vóór het faillissement) geen geldige overdracht van de documenten door [betrokkene 1] aan Agin heeft plaatsgehad. De rechtbank en het hof hebben, kort gezegd, de curator in het gelijk gesteld. Voorzover in cassatie van belang heeft het hof aan zijn oordelen dat de visdocumenten tot de faillissementsboedel behoorden en dat de curator door deze in het belang van de boedel te gelde te maken niet onrechtmatig jegens Agin heeft gehandeld, het volgende ten grondslag gelegd (rov. 2.1-4):

a. De visdocumenten zijn te beschouwen als "andere rechten" als bedoeld in art. 3:83 lid 3 BW, die bij gebreke van een wettelijke bepaling dienaangaande niet overdraagbaar zijn.

b. Niettemin verzet het stelsel van de wet zich niet ertegen dat een privaatrechtelijke overeenkomst ertoe strekt dat het recht op een door de overheid verleende vergunning overgaat op een ander en derhalve een publiekrechtelijk gevolg heeft; zolang dit publiekrechtelijke gevolg nog niet is geëffectueerd blijft de oorspronkelijke vergunninghouder rechthebbende.

c. Ten tijde van de faillietverklaring van [betrokkene 1] was Agin nog geen vergunninghouder; daarvoor waren nog nadere handelingen nodig.

d. Dat betekent niet alleen dat [betrokkene 1] nog rechthebbende van de vergunningen was maar ook dat Agin ingevolge het bepaalde in artikel 26 Fw. haar vordering te dier zake alleen geldend kan maken door aanmelding ter verificatie.

3.3 Het middel brengt in onderdeel 1, dat geen klacht behelst, in herinnering dat rechtbank en hof zijn uitgegaan van de rechtsgeldigheid van de overeenkomst waarbij [betrokkene 1] de visdocumenten aan Agin heeft verkocht. De onderdelen 2, dat slechts een inleiding bevat, en 3 keren zich tegen de hiervóór in 3.2 onder b tot en met d weergegeven oordelen met de klacht dat het hof aldus ongemotiveerd het door Agin in haar appelgrief 2 gestelde heeft miskend. De klacht verwijst, evenals de toelichting op grief 2, naar het arrest van de Hoge Raad van 16 mei 1997, nr. 16261, NJ 1998, 238, in welk arrest de Hoge Raad volgens het onderdeel heeft beslist dat de privaatrechtelijke verhoudingen beslissend zijn voor de vraag of vergunningen zijn overgegaan, en dus niet de publiekrechtelijke. Volgens het onderdeel is in dit arrest tevens bepaald dat het enkele feit dat de vergunning op naam van de verkoper is blijven staan, niet eraan in de weg staat dat de vergunning privaatrechtelijk aan de koper toekomt. Dit laatste doet zich hier voor: tussen Agin en [betrokkene 1] is (vóór het faillissement van [betrokkene 1]) ten aanzien van de visdocumenten een rechtsgeldige overeenkomst totstandgekomen, maar overschrijving van die documenten bleek vanwege een beslaglegging niet vóór de datum van het faillissement van [betrokkene 1] te zijn gerealiseerd. Het hof heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat [betrokkene 1] rechthebbende is gebleven en de visdocumenten niet tot het vermogen van Agin zijn gaan behoren, aldus nog steeds de klacht.

3.4.1 In het zojuist genoemde arrest van de Hoge Raad is niet beslist dat, zoals de klacht inhoudt, de privaatrechtelijke verhoudingen beslissend zouden zijn voor de vraag of vergunningen zijn overgegaan, en dus niet de publiekrechtelijke. In het arrest is, voorzover voor de beoordeling van de klacht van belang, beslist dat in een geval waarin het vergunningverlenende bestuursorgaan het beleid voert dat de tenaamstelling van de vergunning wordt aangepast aan wijzigingen die zich in de privaatrechtelijke verhoudingen voordoen, van de bij die privaatrechtelijke verhouding betrokken partijen kan worden verlangd dat zij aan een wijziging van de tenaamstelling meewerken, indien zij daartoe op grond van die privaatrechtelijke verhouding verplicht zijn. Daarin ligt besloten dat eerst door de wijziging van de tenaamstelling van de vergunning door het betrokken bestuursorgaan, nadat daarom (eventueel na een tot het doen van een dergelijk verzoek strekkende veroordeling van de burgerlijke rechter) is verzocht, de publiekrechtelijke rechtstoestand door het bestuursorgaan wordt aangepast aan de inmiddels geldende privaatrechtelijke verhoudingen.

3.4.2 Uit dit een en ander moet, mede gelet op de strekking van art. 35 lid 1 F., worden afgeleid dat voor de beantwoording van de vraag of de aan een vergunning verbonden rechten in de faillissementsboedel vallen, niet beslissend is of zich vóór het faillissement een wijziging in de privaatrechtelijke verhoudingen heeft voorgedaan, maar of op de faillissementsdatum die wijziging door aanpassing van de tenaamstelling van de vergunning langs publiekrechtelijke weg is geëffectueerd.

3.4.3 Nu in het onderhavige geval de verkoop van de visdocumenten, naar in cassatie niet wordt bestreden, ten tijde van de faillietverklaring niet was gevolgd door een wijziging van de tenaamstelling van die visdocumenten langs publiekrechtelijke weg, heeft het hof met juistheid geoordeeld dat de aan de visdocumenten verbonden rechten in de faillissementsboedel vielen en niet tot het vermogen van Agin zijn gaan behoren.

3.4.4 De in de onderdelen 2 en 3 voorgestelde klacht stuit op het voorgaande in haar geheel af.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Agin in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curator begroot op € 301,34 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren D.H. Beukenhorst, als voorzitter, O. de Savornin Lohman, A. Hammerstein, P.C. Kop en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 9 april 2004.