Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AO3339

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-05-2004
Datum publicatie
14-05-2004
Zaaknummer
39664
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AO3339
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2003:AF7463
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Artikelen 4.41, lid 1 en 3.55, lid 2 Wet IB 2001. Fusiefaciliteit, stemrechten, vervreemding aandelen onmiddellijk na ruil.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 3.55, geldigheid: 2004-05-14
Wet inkomstenbelasting 2001 3.55, geldigheid: 2004-05-14
Wet inkomstenbelasting 2001 4.41, geldigheid: 2004-05-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2004, 747 met annotatie van Visser
FutD 2004-0889 met annotatie van Fiscaal up to Date
BNB 2004/277
FED 2004/294
FED 2004/511
WFR 2004/819, 1
Belastingadvies 2004/11.4
V-N 2004/26.11

Uitspraak

Nr. 39.664

14 mei 2004

EC

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 15 april 2003, nr. BK-02/01479, betreffende de beschikking op het verzoek van X te Z inzake de toepassing van artikel 4.41, lid 1, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet).

1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof

Bij beschikking van 5 oktober 2001 heeft de Inspecteur op het verzoek van belanghebbende zekerheid te verschaffen omtrent het niet in aanmerking nemen van een voordeel uit vervreemding van aandelen beslist dat op de voorgenomen vervreemding artikel 4.41, lid 1, van de Wet niet kan worden toegepast. Deze beschikking is, na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak en de beschikking van de Inspecteur vernietigd, en beslist dat de voorgenomen vervreemding past in het kader van een aandelenfusie als bedoeld in artikel 4.41, lid 1, juncto artikel 3.55, van de Wet. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal C.W.M. van Ballegooijen heeft geconcludeerd tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende hield alle aandelen in A B.V. (hierna: A) en in B B.V. D hield alle aandelen in E Beheer B.V. (hierna: E Beheer), die op haar beurt alle aandelen hield in F B.V. In het kader van een tussen A en E Beheer tot stand te brengen samenwerking namen de betrokkenen zich voor dat belanghebbende zijn aandelen in B B.V. bij wijze van inbreng zou overdragen aan A tegen uitgifte van aandelen door deze laatste (hierna: ruil 1), dat direct daaropvolgend A de aandelen in B B.V. tegen uitreiking van aandelen zou overdragen aan G B.V. (hierna: ruil 2), waarbij de onderneming van A met toepassing van de faciliteit van artikel 14 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 aan G B.V. zou worden overgedragen, een en ander tegen uitreiking van 40 percent van de aandelen in die vennootschap, dat E Beheer haar aandelen in F B.V. tegen uitreiking van eveneens 40 percent van de aandelen G B.V. zou overdragen aan die vennootschap, en dat de resterende 20 percent van de aandelen G B.V. zouden worden uitgegeven aan H Beheer B.V. en J Beheer B.V. die daartoe contanten zouden storten op de te plaatsen aandelen G B.V.

3.2. Voor het Hof was tussen partijen in geschil of ruil 1 een aandelenfusie is waarop de faciliteit van artikel 4.41, lid 1, van de Wet van toepassing is, en meer in het bijzonder of met betrekking tot die ruil wordt voldaan aan de in artikel 3.55, lid 2, van de Wet gestelde eisen voor het aanwezig achten van een aandelenfusie.

3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat ruil 1 is aan te merken als een aandelenruil in de zin van artikel 4.41, lid 1, van de Wet en dat daaraan niet afdoet dat op voorhand vaststond dat ruil 2 zou plaatsvinden onmiddellijk nadat ruil 1 had plaatsgevonden.

3.4. Het middel, dat dit oordeel bestrijdt, slaagt. Al is voor het antwoord op de vraag of een aandelenruil voldoet aan de omschrijving van het begrip aandelenfusie in artikel 3.55, lid 2, van de Wet niet van belang om welke reden de aandelenfusie tot stand wordt gebracht, een dergelijke ruil dient erin uit te monden dat de verkrijgende vennootschap een zodanig bezit aan aandelen in de andere vennootschap verwerft dat zij meer dan de helft van de stemrechten in de laatstbedoelde vennootschap kan uitoefenen. Bij de beoordeling van de vraag of dit gevolg wordt bereikt, dient acht te worden geslagen op het geheel van de afspraken in het kader waarvan de aandelenruil wordt aangegaan. Niet voor redelijke twijfel vatbaar is dat deze uitlegging strookt met Richtlijn 90/434/EEG, waarop voormelde wetsbepaling is gestoeld.

3.5. De door het Hof vastgestelde feiten laten geen andere conclusie toe dan dat in het onderhavige geval ruil 1 onderdeel uitmaakt van een geheel van rechtshandelingen en dat dit geheel verhinderde dat A - al was het maar tijdelijk - in de mogelijkheid kwam te verkeren meer dan de helft van de stemrechten in B B.V. uit te oefenen. 's Hofs oordeel dat ruil 1 kan worden aangemerkt als een aandelenruil in de zin van artikel 4.41, lid 1, van de Wet, is derhalve onjuist.

3.6. Gelet op het hiervóór in 3.4 en 3.5 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en

verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van E. Cichowski als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2004.