Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AO3254

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-03-2004
Datum publicatie
26-05-2004
Zaaknummer
02244/03
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AO3254
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

In het verkorte vonnis of arrest moeten de beslissingen zijn opgenomen ten aanzien van op de terechtzitting door of namens de verdachte gedane verzoeken waarop de rechter op straffe van nietigheid gehouden is bepaaldelijk een beslissing te geven (in casu verzoek tot psychiatrische rapportage), voorzover daarop niet reeds ter terechtzitting is beslist.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 138b
Wetboek van Strafvordering 330
Wetboek van Strafvordering 359
Wetboek van Strafvordering 365a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2004/148
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

23 maart 2004

Strafkamer

nr. 02244/03

EdK/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 28 maart 2003, nummer 23/003695-02, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Duitsland) op [geboortedatum] 1969, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande, ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Achterhoek" te Zutphen.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Haarlem van 16 september 2002 - de verdachte ter zake van "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet, gegeven verbod" veroordeeld tot 27 maanden gevangenisstraf met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de raadslieden op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof niet in het verkorte arrest, maar in de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv heeft beslist op het verzoek van de raadsman om met betrekking tot verdachte een psychiatrische rapportage te laten opmaken.

3.2.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt in dat de raadsman van de verdachte aldaar voorzover hier van belang, het volgende heeft aangevoerd:

"Ik heb veel contact met mijn cliënt gehad. Hij zit vol emoties en spanningen over wat hem is aangedaan. De reclassering te Haarlem is overbelast en heeft niet de tijd genomen voor een goed onderzoek. De psycholoog die mijn cliënt heeft onderzocht maakt zich zorgen over de psychische toestand van cliënt. Hij denkt dat cliënt ADHD heeft, maar wilde daar niet over rapporteren.

Een drugsorganisatie is goed in het ronselen van de juiste mensen. Zij vinden altijd mensen die financieel in de problemen zitten of onder psychische druk leven. Als hij dan ook nog alcohol heeft gebruikt dan kan men makkelijk misbruik maken van mijn cliënt.

Ik heb contact gehad met de Duitse advocaat van cliënt die in Spanje woont. Van hem kreeg ik een positief beeld over cliënt.

Cliënt ervaart de detentie als vreselijk. Hij krijgt geen bezoek. Hij is first offender.

Mijn conclusie is dat misbruik is gemaakt van de onoplettendheid van cliënt tijdens het inchecken.

Iemand anders moet iets in zijn tas hebben gedaan. Primair verzoek ik u dan ook cliënt vrij te spreken, althans te veroordelen voor het niet-opzettelijk binnen Nederland brengen van cocaïne. Cliënt is zich nergens van bewust geweest.

Subsidiair verzoek ik het hof een psychiatrische rapportage te laten opmaken met betrekking tot de vraag of hij -gelet op zijn geestelijke toestand- wel als schuldig is te beschouwen."

3.2.2. In de aanvulling op het verkorte arrest van het Hof is onder meer als volgt overwogen:

"Nadere bewijsoverweging

De raadsman van verdachte heeft primair betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde, althans slechts veroordeeld kan worden voor het niet-opzettelijk binnen Nederland brengen van de cocaïne.

Daartoe heeft hij -verkort en zakelijk weergegeven- het volgende gesteld. Verdachte wist niet dat er cocaïne in zijn bagage zat. De verdediging gaat ervan uit dat er tijdens de drukte van het inchecken misbruik is gemaakt van zijn onoplettendheid. De reistas van verdachte heeft tijdens de vlucht van Curaçao naar Nederland achter de stoel van verdachte gestaan; de mogelijkheid bestaat dat de cocaïne toen in de reistas van verdachte is gedaan zonder dat deze dat merkte.

Subsidiair heeft de raadsman gevraagd om psychiatrisch onderzoek van verdachte ten einde vast te kunnen stellen of verdachte wel als schuldig is te beschouwen.

Het hof overweegt te doen aanzien als volgt.

De verdediging heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd om het gestelde misbruik van de onoplettendheid van verdachte bij het inchecken en de mogelijkheid, dat tijdens de vlucht buiten medeweten van verdachte cocaïne in de reistas van verdachte is gedaan, te staven.

Het ter zake gestelde is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden. Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat verdachte op kosten van een man, die verdachte nauwelijks zegt te kennen, gereisd is van Spanje naar Curaçao en van Curaçao naar Nederland. Verdachte heeft zelf de reistas ingepakt waarin de cocaïne is aangetroffen op Schiphol en heeft tevoren afgesproken dat hij buiten Schiphol zijn vliegticket terug naar Spanje zou ontvangen van de hem onbekende man.

Het hof is van oordeel dat verdachte -door aldus te handelen- het opzet heeft gehad op het binnen het grondgebied van Nederland brengen van de in zijn reistas aangetroffen cocaïne. Het hof verwerpt het verweer.

Ter terechtzitting in hoger beroep is, gelet op het voorgaande, de noodzaak niet gebleken van psychiatrisch onderzoek van verdachte ter beantwoording van vragen over de strafbaarheid van verdachte en de aan verdachte op te leggen straf of maatregel. Het hof wijst daarom het subsidiaire verzoek af."

3.3. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Ingevolge art. 138b Sv wordt onder een verkort vonnis verstaan een vonnis waarin noch de bewijsmiddelen als bedoeld in art. 359, eerste lid, noch de redengevende feiten en omstandigheden, als bedoeld in art. 359, derde lid, Sv zijn opgenomen. Uit de ontstaansgeschiedenis van art. 138b en 365a Sv volgt dat de wetgever er de voorkeur aan heeft gegeven dat ten tijde van de uitspraak een volledig uitgewerkt vonnis of arrest voorhanden is, maar dat de rechter niettemin bevoegd is voorshands te volstaan met een verkort vonnis of arrest. Daarin behoren onder meer te zijn opgenomen de beslissingen ten aanzien van de op de terechtzitting door of

namens de verdachte gedane verzoeken waarop de rechter op straffe van nietigheid gehouden is bepaaldelijk een

beslissing te geven, een en ander voorzover op die verzoeken niet reeds op die terechtzitting is beslist.

3.4. Het hiervoor weergegeven verzoek tot psychiatrische rapportage is een verzoek waaromtrent de rechter ingevolge het bepaalde in art. 330 in verbinding met art. 415 Sv op straffe van nietigheid uitdrukkelijk een gemotiveerde beslissing moet geven. Nu noch het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep noch het verkorte arrest een zodanige beslissing inhoudt, is het middel terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het tweede middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak;

Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 23 maart 2004.