Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AO3143

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-02-2004
Datum publicatie
06-02-2004
Zaaknummer
C03/141HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AO3143
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

6 februari 2004 Eerste Kamer Nr. C03/141HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats], EISERES tot cassatie, advocaat: mr. M.H. van der Woude, t e g e n [Verweerster], gevestigd te [vestigingsplaats], VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 71
NJ 2004, 349
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 februari 2004

Eerste Kamer

Nr. C03/141HR

JMH/AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres],

gevestigd te [vestigingsplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. M.H. van der Woude,

t e g e n

[Verweerster],

gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft bij exploot van 21 december 2000 verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - gedagvaard voor de rechtbank te Zutphen en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat, [verweerster] te veroordelen aan [eiseres] te betalen (a) een bedrag van ƒ 8.812,50, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 13 augustus 2000 tot aan de dag der algehele voldoening, en (b) de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van ƒ 1.586,14, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.

Bij incidentele conclusie heeft [verweerster] gevorderd, voor zover in cassatie van belang, dat de rechtbank zich onbevoegd zou verklaren om van de vordering van [eiseres] kennis te nemen.

[Eiseres] heeft de incidentele vordering bestreden.

De rechtbank heeft bij vonnis van 12 juli 2001 in het incident de vordering afgewezen en in de hoofdzaak de zaak naar de rol verwezen voor voortprocederen.

Bij conclusie van repliek heeft [eiseres] haar eis gewijzigd, inhoudende intrekking van de gevorderde betaling van de hoofdsom ad ƒ 7.500,-- te vermeerderen met 17,5% BTW.

[Verweerster] heeft in conventie de vordering bestreden en in voorwaardelijke reconventie gevorderd bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat eerder door [verweerster] terecht en op goede gronden de buitengerechtelijke ontbinding is ingeroepen van de eerder door partijen gemaakte afspraken c.q. overeenkomst, voor zover deze niet door [eiseres] naar behoren is/zijn uitgevoerd, althans subsidiair deze te ontbinden, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

[Eiseres] heeft in voorwaardelijke reconventie de vordering van [verweerster] bestreden.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 25 oktober 2001 in conventie en in reconventie [eiseres] opgedragen zich bij akte uit te laten omtrent hetgeen is overwogen onder rov. 7.4 en de zaak daartoe naar de rol verwezen.

Bij akte van 15 november 2001 heeft [eiseres] haar eis gewijzigd en betaling gevorderd van in hoofdsom architectenhonorarium conform de factuur van 13 juli 2000 ad ƒ 7.500,--, te vermeerderen met 17,5% BTW en wettelijke rente.

De rechtbank heeft bij eindvonnis van 24 januari 2002 in conventie [verweerster] veroordeeld aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 3.657,03, vermeerderd met de wettelijke rente over € 3.044,07 vanaf 18 augustus 2000 tot aan de dag der algehele voldoening, dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en het in conventie meer of anders gevorderde en het in reconventie gevorderde afgewezen.

Tegen de vonnissen van 25 oktober 2001 en 24 januari 2002 heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem. De zaak is bij het hof ingeschreven onder rolnr. 2002/203.

Bij arrest van 7 januari 2003 (rolnr. 2002/203) heeft het hof de vonnissen van de rechtbank van 25 oktober 2001 en 24 januari 2002 vernietigd, verstaan dat de gewone rechter onbevoegd is tot kennisneming van de zaak en [eiseres] in de proceskosten in beide instanties aan de zijde van [verweerster] veroordeeld.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen de niet verschenen [verweerster] is verstek verleend.

De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiseres] (hierna: [eiseres]), lid van de Bond van Nederlandse Architecten (BNA), heeft in opdracht en voor rekening van [verweerster] (hierna: [verweerster]) werkzaamheden verricht ten behoeve van de inrichting van het nieuwe kantoor van [verweerster].

(ii) [Eiseres] heeft ter zake van die werkzaamheden aanvankelijk aan [verweerster] een nota verzonden ad ƒ 10.800,-- (vermeerderd met BTW). Na protest van [verweerster] heeft [eiseres] evengemeld bedrag bij factuur van 13 juli 2000 verlaagd tot een bedrag van ƒ 7.500,-- (vermeerderd met BTW). [Verweerster] heeft bedoelde factuur - ondanks daartoe strekkende sommaties - niet (geheel) voldaan.

(iii) Het College van Toezicht voor de BNA heeft op 25 september 2001 beslist dat de door [verweerster] tegen [eiseres] ingediende klacht, inhoudende dat laatstgenoemde als lid van de BNA zodanig had moeten handelen dat de Standaardvoorwaarden 1997 Rechtsverhouding opdrachtgever-architect (SR 1997) van toepassing waren op de tussen [verweerster] en [eiseres] gesloten overeenkomst, gegrond was. Het College heeft aan [eiseres] de maatregel van een schriftelijke waarschuwing opgelegd.

3.2 [Eiseres] heeft de hiervoor onder 1 vermelde vordering ingesteld. Zij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat het bedrag van ƒ 8.812,50 haar toekwam als het overeengekomen honorarium (inclusief BTW). Nadat [verweerster] - met een beroep op art. 44 SR 1997 - bij incidentele conclusie had gevorderd dat de rechtbank zich onbevoegd zou verklaren van de vordering van [eiseres] kennis te nemen, heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 12 juli 2001 overwogen dat de SR 1997 niet op de overeenkomst van toepassing waren en heeft zij de incidentele vordering tot onbevoegdverklaring afgewezen. Na een tussenvonnis van 25 oktober 2001, heeft de rechtbank bij eindvonnis van 24 januari 2002 [verweerster] veroordeeld tot betaling zoals hiervoor onder 1 weergegeven.

Op het door [verweerster] tegen de vonnissen van 25 oktober 2001 en 24 januari 2002 ingestelde hoger beroep heeft het hof in de zaak met rolnummer 2002/203 verstaan dat de gewone rechter onbevoegd is tot kennisneming van de zaak en heeft het de vonnissen van 25 oktober 2001 en 24 januari 2002 vernietigd. Het hof verwees - in rov. 3.1 en 3.2 - voor de motivering van deze beslissing naar zijn arrest in de zaak met rolnummer 2001/885. In laatstgenoemde zaak heeft het hof de gewone rechter onbevoegd verklaard om van het geschil kennis te nemen. Het hof overwoog daartoe, voorzover thans van belang, het volgende. Vaststaat dat partijen de toepasselijkheid van de SR 1997 niet zijn overeengekomen (rov. 4.2). Volgens [verweerster] zijn de SR 1997 desondanks op de overeenkomst van toepassing, nu [eiseres] lid is van de BNA, de gedragsregels van de BNA voorschrijven dat de leden uitsluitend opdrachten mogen aanvaarden overeenkomstig de SR 1997, dat de leden ook steeds plegen te contracteren op basis van die SR 1997 en dat [verweerster] een en ander wist. Volgens [verweerster] mocht hij er dan ook op vertrouwen dat de SR 1997 op de overeenkomst van toepassing waren (rov. 4.3). Het hof vervolgt:

"4.4 In het midden kan blijven of [verweerster] in dit betoog kan worden gevolgd. [Verweerster] heeft namelijk tevens aangevoerd dat achteraf, naar aanleiding van de uitspraak van het College van Toezicht, alsnog van de gelding van de SR 1997 moet worden uitgegaan. Kennelijk strekt dit betoog ertoe dat [eiseres] met inachtneming van die uitspraak [verweerster] niet mag tegenwerpen dat de SR 1997 tussen partijen niet toepasselijk zijn.

4.5 Het hof acht dit betoog juist. Vaststaat dat [verweerster] reeds voor het sluiten van de overeenkomst met [eiseres] wist dat zij lid van de BNA was en dat leden van de BNA, conform hun gedragsregels, steeds op basis van de SR 1997 plegen te contracteren. Gesteld noch gebleken is dat [eiseres] jegens [verweerster] op enigerlei wijze te kennen heeft gegeven dat de SR 1997 tussen partijen niet zou gelden. Naar aanleiding van de onder 3 bedoelde klacht heeft [eiseres] aangevoerd dat hij aan [verweerster] de SR 1997 niet had overgelegd en in de veronderstelling verkeerde dat een beroep daarop niet mogelijk was. Daaruit kan worden afgeleid dat [eiseres] destijds niet beoogde dat de SR 1997 niet tussen partijen zou gelden. Er kan dan ook - met het College van Toezicht - vanuit worden gegaan dat [eiseres] als lid van de BNA toentertijd zodanig had moeten handelen dat de SR 1997 tussen partijen zonder meer van toepassing waren. Dit brengt met zich dat [eiseres] thans, in de procedure waarin zij - buiten toepasselijkheid van de SR 1997 - betaling van haar vermeende vordering op [verweerster] tracht te verkrijgen, zich tegen het steeds in die procedure door [verweerster] ingenomen standpunt dat de SR 1997 tussen partijen wèl gelden, niet mag verweren op de grond dat de SR 1997 niet toepasselijk zijn. Dat verweer moet in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid als onaanvaardbaar worden beschouwd.

4.6 Dit betekent dat [eiseres] artikel 44 van de SR 1997 tegen zich moet laten gelden, welk artikel bepaalt dat alle geschillen die tussen de opdrachtgever en de architect ontstaan naar aanleiding van de opdracht, dan wel van overeenkomsten die daarvan een uitvloeisel zijn, met uitzondering van de gewone rechter, worden beslecht door arbitrage (...)."

3.3 De rechtsoverwegingen waartegen in de onderhavige zaak wordt opgekomen, zijn de rov. 3.1 en 3.2. De overwegingen waarop in de onderdelen wordt gedoeld, zijn de overwegingen van het hof in de zaak met rolnr. 2001/885, welke overwegingen op grond van hetgeen het hof in de onderhavige zaak in rov. 3.1 heeft overwogen, als in het bestreden arrest ingelast moeten worden beschouwd.

3.4 Onderdeel I klaagt dat de door het hof in rov. 4.5 en 4.6 gegeven oordelen in strijd zijn met art. 17 Gr.w. en art. 1020 Rv. Deze klacht kan, nu zij niet voldoet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv., niet tot cassatie leiden.

3.5 Onderdeel II komt onder meer met een rechtsklacht op tegen het oordeel van het hof dat het verweer van [eiseres] dat de SR 1997 niet van toepassing zijn, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Bij de beoordeling van de klacht moet, naar volgt uit de rov. 4.2-4.4 van het hof, ervan worden uitgegaan dat de toepasselijkheid van de SR 1997 tussen partijen niet is overeengekomen en dat [verweerster] ook niet erop mocht vertrouwen dat de SR 1997 op de overeenkomst van toepassing zijn. Art. 6:248 lid 2 BW kan slechts bewerkstelligen dat een tussen partijen als gevolg van een overeenkomst geldende regel niet van toepassing is, voorzover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Deze bepaling kan derhalve niet bewerkstelligen dat de SR 1997 die, naar het hof heeft aangenomen, in de rechtsverhouding tussen partijen niet van toepassing zijn, wel van toepassing worden. De klacht is dus terecht voorgesteld. De overige klachten van het onderdeel behoeven verder geen behandeling.

3.6 Het hiervoor onder 3.5 overwogene brengt mee dat ook onderdeel III geen behandeling behoeft.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te Arnhem van 7 januari 2003;

verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het gerechtshof te Leeuwarden;

veroordeelt [verweerster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 371,69 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren D.H. Beukenhorst, O. de Savornin Lohman, A.M.J. van Buchem-Spapens en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 6 februari 2004.