Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AO2786

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-05-2004
Datum publicatie
03-06-2004
Zaaknummer
C03/039HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AO2786
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

7 mei 2004 Eerste Kamer Nr. C03/039HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1. [Eiser 1], 2. [Eiser 2], beiden wonende te [woonplaats], EISERS tot cassatie, advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand, t e g e n [Verweerder], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. J.B.M.M. Wuisman. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 97
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2004/262
JOL 2004, 232
NJ 2005, 76
RvdW 2004, 71
AV&S 2004, 47
JWB 2004/236

Uitspraak

7 mei 2004

Eerste Kamer

Nr. C03/039HR

JMH/AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiser 1],

2. [Eiser 2],

beiden wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand,

t e g e n

[Verweerder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. J.B.M.M. Wuisman.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploot van 13 december 1995 eisers tot cassatie - verder te noemen: [eiser] c.s. - onder het versneld regime gedagvaard voor de rechtbank te Rotterdam en gevorderd bij vonnis geheel en al uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat [eiser] c.s. onder hoofdelijk verband gehouden zijn aan [verweerder] te vergoeden een schadebedrag gelijk aan de vastgestelde herbouwkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 5 november 1991 en te verminderen met ieder bedrag dat [verweerder] uit hoofde van zijn overeenkomst van schadeverzekering met [betrokkene 4] in verband met de onderhavige schade heeft ontvangen of nog zal ontvangen.

[Eiser] c.s. hebben de vordering bestreden.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 5 december 1996 een comparitie van partijen gelast.

Vervolgens heeft [verweerder] bij postinterlocutoire akte zijn eis gewijzigd.

De rechtbank heeft bij eindvonnis van 24 juli 1997 de vordering van [verweerder] afgewezen.

Tegen beide vonnissen heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Bij memorie van grieven heeft [verweerder] andermaal zijn eis gewijzigd in dier voege dat (de verzekeraars van) [eiser] c.s. worden veroordeeld tot betaling van in hoofdsom ƒ 174.903,--, het verschil tussen de herbouwwaarde en de verkoopwaarde.

[Eiser] c.s. hebben bij memorie van antwoord geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [verweerder] in zijn hoger beroep.

Bij arrest van 15 oktober 2002 heeft het hof beide vonnissen van de rechtbank waarvan beroep vernietigd en, opnieuw rechtdoende, [eiser] c.s. veroordeeld tot betaling aan [verweerder] van een bedrag van € 79.367,52, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 december 1995 tot de dag der algehele voldoening, dit arrest uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding en het herstelexploot zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [verweerder] mede door mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.

(i) Op 17 november 1987 is door het spel van [betrokkene 1], [betrokkene 2] (beiden toen 11 jaar oud) en [betrokkene 3] (toen 12 jaar oud) brand ontstaan in een toen aan [verweerder] toebehorende landbouwschuur (hierna: de schuur), één van de bedrijfsgebouwen van het landbouwbedrijf van [verweerder]. De schuur is als gevolg hiervan geheel en al afgebrand.

(ii) [Eiser] c.s. zijn aansprakelijk voor de als gevolg van de brand ontstane schade.

(iii) [Verweerder] heeft zijn bedrijf drie jaar na de brand overgedragen aan zijn zoon; de schuur werd bij notariële akte van 31 december 1990 geleverd. De schuur verkeerde toen in de staat waarin deze zich na de brand bevond.

(iv) [Betrokkene 4], de opstalverzekeraar van [verweerder], heeft zich op het standpunt gesteld slechts gehouden te zijn de op ƒ 100.000,-- getaxeerde verkoopwaarde van de schuur te vergoeden, terwijl de herbouwwaarde - waarop [verweerder] stelt recht te hebben - op ƒ 274.903,-- is vastgesteld.

(v) [Verweerder] heeft onweersproken gesteld dat hij de eigendom van de tot zijn bedrijf behorende onroerende zaken niet in de tussen hem en zijn zoon bestaande maatschap heeft ingebracht.

(vi) De door [betrokkene 4] aanvankelijk uitgekeerde helft van de herbouwwaarde van de schuur is aan [verweerder] ten goede gekomen en is niet in het maatschapsvermogen gevallen. De op het moment van de bedrijfsoverdracht verwachte uitkering van de andere helft van de herbouw-waarde is niet betrokken bij de afrekening tussen [verweerder] en zijn zoon op 31 december 1990.

(vii) Bij arresten van het hof Den Haag van 22 juni 1999 en 16 mei 2000 is vastgesteld dat [verweerder] jegens [betrokkene 4] recht heeft op vergoeding van de verkoopwaarde van de schuur tot een bedrag van ƒ 100.000,--. Hetgeen [verweerder] meer van [betrokkene 4] had ontvangen, heeft hij aan [betrokkene 4] terugbetaald.

3.2 In dit geding heeft [verweerder] aan zijn gewijzigde vordering ten grondslag gelegd dat [eiser] c.s. zijn gehouden hem de schade te vergoeden die hij als gevolg van de brand heeft geleden, te berekenen naar de herbouwwaarde van de schuur.

[Eiser] c.s. hebben de vordering bestreden. Zij voerden daartoe aan dat [verweerder] slechts recht heeft op de waarde van de schuur in het economisch verkeer vóór de brand omdat de schuur door de brand geheel en al verloren is gegaan, althans omdat [verweerder] de schuur niet zelf heeft herbouwd maar deze heeft overgedragen aan zijn zoon. Aangezien de getaxeerde waarde van de schuur voor de brand volgens [verweerder] zelf ƒ 100.000,-- bedroeg en hij dit bedrag heeft ontvangen van zijn verzekeraar, [betrokkene 4], lijdt [verweerder] geen schade.

3.3 De rechtbank heeft in haar eindvonnis laatstvermeld verweer van [eiser] c.s. gegrond geacht en de vordering mitsdien van de hand gewezen.

In hoger beroep heeft het hof, met vernietiging van dit vonnis, de gewijzigde vordering echter alsnog toegewezen tot een bedrag van € 79.367,52. Het overwoog daartoe, samengevat weergegeven, als volgt. Als uitgangspunt dient dat de eigenaar van een zaak die wordt beschadigd, een nadeel lijdt, gelijk aan de waardevermindering welke het desbetreffende vermogensbestanddeel heeft ondergaan, en dat, indien het een zaak betreft waarvan herstel mogelijk en verantwoord is, het geldbedrag waarin deze waardevermindering kan worden uitgedrukt, in het algemeen gelijk zal zijn aan de - naar objectieve maatstaven berekende - kosten welke met het herstel zullen zijn gemoeid (rov. 5). Als het gaat om de onrechtmatige beschadiging van een onroerende zaak, moet in beginsel ervan worden uitgegaan dat de eigenaar daarvan aanspraak erop heeft in de gelegenheid te worden gesteld tot herstel. In het onderhavige geval gaat het om een landbouwschuur, die als gevolg van brand zo ernstig is beschadigd dat herstel c.q. vervanging neerkomt op herbouw van de schuur. Doorslaggevend is dan of herbouw in de gegeven omstandigheden verantwoord is (rov. 6). Dat is hier inderdaad het geval. De schuur werd door [verweerder] dagelijks gebruikt in het kader van zijn bedrijf voor opslagdoeleinden. Gesteld noch gebleken is dat [verweerder] de mogelijkheid had in de directe omgeving van zijn bedrijf een vervangende schuur te verwerven die als gelijkwaardig aan de afgebrande schuur kan worden beschouwd. Bovendien zijn de kosten die volgens [verweerder] met het bouwen van een nieuwe schuur gemoeid zouden zijn in verhouding tot de gestelde verkoopwaarde niet zodanig hoog dat op grond daarvan van [verweerder] gevergd kon worden zijn schuur niet te herbouwen maar genoegen te nemen met de verkoopwaarde daarvan. Derhalve kan [verweerder] in redelijkheid aanspraak maken op de - naar objectieve maatstaven berekende - kosten van herbouw van zijn schuur (rov. 7). Bij een dergelijke (abstracte) wijze van schadeberekening is niet van belang of [verweerder] al dan niet daadwerkelijk tot herbouw is overgegaan, zodat het feit dat [verweerder] de schuur niet heeft herbouwd maar deze (drie jaar na de brand) in afgebrande staat aan zijn zoon heeft verkocht, aan zijn recht op vergoeding van zijn schade op basis van de herbouwkosten niet afdoet (rov. 8).

3.4 De onderdelen 1 en 2.1 van het middel bevatten geen klachten tegen 's hofs arrest.

Onderdeel 2.2 betoogt, kort gezegd, dat geen rechtsregel meebrengt - en meer in het bijzonder ook niet besloten ligt in HR 1 juli 1993, nr. 15070, NJ 1995, 43 - dat indien de herbouwkosten van een door brand verwoest gebouw als het onderhavige de waarde daarvan in het economisch verkeer overtreffen, deze herbouwkosten steeds en zonder meer zouden moeten worden vergoed met abstractie van de omstandigheden van het geval.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag en kan dus niet tot cassatie leiden. Het hof heeft immers niet geabstraheerd van de omstandigheden van het concrete geval, maar heeft in zijn beoordeling van de zaak betrokken op welke wijze en met welke frequentie [verweerder] de schuur in zijn bedrijf gebruikte, dat niet was gesteld of gebleken dat in de directe omgeving van zijn bedrijf een gelijkwaardige vervangende schuur kon worden verworven en dat de kosten van het bouwen van een nieuwe schuur niet onevenredig hoog zijn in vergelijking met de verkoopwaarde van de schuur voor de brand.

3.5 Onderdeel 2.3 stelt voorop dat onder omstandigheden van de eigenaar van een gebouw dat door een onrechtmatige daad geheel en al verloren is gegaan, wel degelijk in redelijkheid kan worden verlangd dat hij zijn aanspraak beperkt tot de waardevermindering daarvan. Voor zover het hof dit heeft miskend, heeft het blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het van oordeel is dat van dergelijke omstandigheden niet is gebleken, is zijn oordeel, in het licht van hetgeen [eiser] c.s. in dit geding hebben gesteld, onbegrijpelijk gemotiveerd. [Eiser] c.s. hebben zich immers erop beroepen dat herstel in het onderhavige geval niet meer aan de orde is omdat de restanten van de schuur inmiddels een andere bestemming hebben gekregen; voorts hebben zij aangevoerd dat de schade van [verweerder] al is vergoed door diens opstalverzekeraar.

3.6 Bij de beoordeling van dit onderdeel wordt vooropgesteld dat de eigenaar van een zaak die wordt beschadigd, door die beschadiging reeds voor en onafhankelijk van herstel daarvan in zijn vermogen een nadeel lijdt, gelijk aan de waardevermindering welke het desbetreffende vermogensbestanddeel heeft ondergaan, en dat, indien het een zaak betreft waarvan herstel mogelijk en verantwoord is, het geldsbedrag waarin deze waardevermindering kan worden uitgedrukt, in het algemeen gelijk zal zijn aan de - naar objectieve maatstaven berekende - kosten, welke met het herstel zullen zijn gemoeid (HR 16 juni 1961, NJ 1961, 444).

Is de onrechtmatig beschadigde zaak een gebouw, dan is in beginsel ervan uit te gaan dat de eigenaar daarvan aanspraak erop heeft in de gelegenheid te worden gesteld tot herstel. Zulk herstel kan ook verantwoord zijn indien de daarmee gemoeide kosten het bedrag van de als gevolg van de toegebrachte schade opgetreden waardevermindering overtreffen. Of dat het geval zal zijn, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de functie van de zaak voor de eigenaar, de mogelijkheid om - aangenomen dat afbraak en herbouw ter plaatse in verband met de daaraan verbonden kosten in ieder geval niet in aanmerking komen - elders een zaak te verwerven die voor wat betreft gebruiksmogelijkheden, ligging, prijs en andere relevante factoren als gelijkwaardig aan de zaak - in onbeschadigde toestand - kan worden beschouwd, alsmede de mate waarin de kosten van herstel in de oude toestand het bedrag van de waardevermindering overtreffen. Omstandigheden als hiervoor aangeduid kunnen meebrengen dat, hoewel de herstelkosten de waardevermindering overtreffen, toch van de getroffen eigenaar in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij, ter wille van de belangen van de schadeveroorzaker, zijn aanspraak beperkt tot het bedrag van de waardevermindering (HR 1 juli 1993, nr. 15070, NJ 1995, 43).

Het vorenoverwogene heeft in beginsel ook te gelden indien het desbetreffende gebouw niet slechts is beschadigd, maar door een onrechtmatige daad geheel en al verloren is gegaan.

Opmerking verdient nog dat het vorenstaande anders is indien de desbetreffende, verloren gegane, zaak een exemplaar is zonder eigen, individueel bepaalde, kenmerken, van een soort waarvoor een voor het publiek toegankelijke markt bestaat. In een zodanig geval zal de eigenaar van de zaak, wanneer deze door een onrechtmatige daad geheel en al verloren gaat, door dit verlies een nadeel in zijn vermogen lijden dat in het algemeen moet worden gesteld op de waarde in het economische verkeer van de zaak ten tijde van het verlies (de marktwaarde; vgl. HR 12 april 1991, nr. 14193, NJ 1991, 434).

3.7 Voor zover onderdeel 2.3 stelt dat het hof heeft miskend dat onder omstandigheden van de eigenaar van een gebouw dat door een onrechtmatige daad geheel en al verloren is gegaan, in redelijkheid kan worden verlangd dat hij zijn aanspraak beperkt tot de waardevermindering daarvan, kan het bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Zoals besloten ligt in het hiervoor in 3.4 overwogene, heeft het hof immers wel degelijk onderzocht of van de getroffen eigenaar, [verweerder], in redelijkheid kan worden verlangd dat hij, ter wille van de belangen van de schadeveroorzaker, zijn aanspraak beperkt tot het bedrag van de waardevermindering, maar heeft het daarvoor in het concrete geval onvoldoende aanleiding gezien.

Voor zover het onderdeel dit oordeel als onbegrijpelijk gemotiveerd bestrijdt, en het zich daartoe beroept op het feit dat de restanten van de schuur inmiddels een andere bestemming hebben gekregen, stuit het af op het feit dat [verweerder] in dit geding onweersproken heeft gesteld dat hij de schuur wenste te herbouwen, maar in dat voornemen is gedwarsboomd doordat achtereenvolgens (i) de provincie de herbouw niet toestond op de daartoe door [verweerder] beoogde plaats, voorts (ii) tussen hem en zijn schadeverzekeraar een langdurige correspondentie en daarna een juridische procedure is gevoerd over de vraag in welke omvang de verzekeraar de door de brand geleden schade diende te vergoeden en hij ten slotte, ruim drie jaar na de brand, toen hij inmiddels 65 jaar was geworden, (iii) de schuur in het kader van een bedrijfsovername heeft overgedragen aan zijn zoon, die het bedrijf heeft voortgezet en die ter plaatse een andere schuur heeft gebouwd, terwijl alle rechten die [verweerder] in verband met de brand tegen derden kon doen gelden, bij hem zijn verbleven (pleitnotities in eerste aanleg onder 4). In elk geval onder deze, door het hof kennelijk mede in zijn beoordeling betrokken, omstandigheden, kan niet worden gezegd dat het feit dat de opvolgend eigenaar aan de schuur inmiddels een andere bestemming heeft gegeven (de nieuwe schuur dient niet, zoals de oude, voor opslagdoeleinden; daarin is een pluimvee-bedrijf ondergebracht), 's hofs oordeel onbegrijpelijk maakt dat [verweerder] in redelijkheid aanspraak kan maken op de naar objectieve maatstaven berekende kosten van herbouw van zijn schuur en dat niet van belang is of [verweerder] daadwerkelijk tot herbouw is overgegaan.

Voor zover het onderdeel ten slotte aanvoert dat de schadevergoeding waarop [verweerder] wél recht heeft, hem reeds is voldaan door zijn opstalverzekeraar [betrokkene 4], mist het feitelijke grondslag. Aan deze klacht ligt immers klaarblijkelijk ten grondslag dat het hof met dit gegeven geen rekening heeft gehouden, terwijl het hof dat nu juist wel heeft gedaan door het in hoger beroep na wijziging van eis gevorderde bedrag ad € 79.367,52 (ƒ 174.903,--) toe te wijzen, dat was samengesteld door van de getaxeerde en op zichzelf onbetwiste herbouwwaarde van ƒ 274.903,-- een bedrag van ƒ 100.000,-- (de door het onderdeel bedoelde uitkering door de schadeverzekeraar [betrokkene 4]) af te trekken.

3.8 Onderdeel 2.3 kan dus geen doel treffen.

3.9 Onderdeel 2.4 stelt dat uit het hiervoor in 3.6 aangehaalde arrest HR 1 juli 1993, nr. 15070, NJ 1995, 43, logischerwijs volgt dat de toetsing aan de in dit arrest genoemde feiten en omstandigheden dient plaats te vinden naar het moment van het beoordelen van de rechtsvordering en niet naar het moment van het ontstaan van de brand, zoals het hof kennelijk heeft gedaan.

3.10 Het onderdeel is op een onjuiste rechtsopvatting gebaseerd en kan daarom geen doel treffen. Zoals in het eveneens in 3.6 aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 16 juni 1961, NJ 1961, 444, waarop het in het onderdeel genoemde arrest voortbouwt, reeds besloten ligt ("dat de eigenaar van een zaak die wordt beschadigd, door die beschadiging reeds voor en onafhankelijk van herstel daarvan in zijn vermogen een nadeel lijdt, gelijk aan de waardevermindering welke het desbetreffende vermogensbestanddeel heeft ondergaan"; vgl. ook HR 13 december 1963, NJ 1964, 449), en eveneens aan het wettelijk systeem ten grondslag ligt (vgl. de MvA II bij art. 6:119 BW, Parl. Gesch. Boek 6, blz. 475), dient de omvang van de schade die naar objectieve maatstaven wordt begroot, te worden berekend naar het moment waarop zij wordt geleden. Daaraan doet niet af dat in het door het onderdeel bedoelde arrest besloten ligt dat onder omstandigheden gebeurtenissen van later datum kunnen meebrengen dat van de getroffen eigenaar in redelijkheid kan worden verlangd dat hij zijn aanspraak beperkt.

3.11 De onderdelen 2.5 en 2.6 bevatten geen zelfstandige klachten.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 941,34 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren D.H. Beukenhorst, P.C. Kop, E.J. Numann en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 7 mei 2004.