Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AO1948

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-04-2004
Datum publicatie
02-04-2004
Zaaknummer
C02/318HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AO1948
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

2 april 2004 Eerste Kamer Nr. C02/318HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. A.J. Swelheim, t e g e n 1. EEMSMOND BEHEER B.V., gevestigd te Delfzijl, 2. EEMSMOND BETONCENTRALE B.V., gevestigd te Delfzijl, 3. MAATSCHAPPIJ TOT EXPLOITATIE VAN BETONBEDRIJVEN IN NEDERLAND (MEBIN) B.V., gevestigd te Amsterdam, 4. BETON MORTELBEDRIJVEN CEMENTBOUW B.V., gevestigd te Heemstede, VERWEERSTERS in cassatie, advocaat: mr. R.S. Meijer. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 900
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2004/255 met annotatie van Mr. R.M. Beltzer
JOL 2004, 177
NJ 2004, 656
JAR 2004, 255
Ondernemingsrecht 2004, 134 met annotatie van F.B.J. Grapperhaus, J. Oster
PJ 2004/98 met annotatie van E. Lutjens
JWB 2004/131
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

2 april 2004

Eerste Kamer

Nr. C02/318HR

JMH/AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser], wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. A.J. Swelheim,

t e g e n

1. EEMSMOND BEHEER B.V., gevestigd te Delfzijl,

2. EEMSMOND BETONCENTRALE B.V., gevestigd te Delfzijl,

3. MAATSCHAPPIJ TOT EXPLOITATIE VAN BETONBEDRIJVEN IN NEDERLAND (MEBIN) B.V., gevestigd te Amsterdam,

4. BETON MORTELBEDRIJVEN CEMENTBOUW B.V., gevestigd te Heemstede,

VERWEERSTERS in cassatie,

advocaat: mr. R.S. Meijer.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 9 september 1998 verweersters in cassatie - verder te noemen: Eemsmond c.s. - in versneld regime gedagvaard voor de rechtbank te Groningen en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Eemsmond c.s. te veroordelen, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd:

I. aan [eiser] te voldoen inzake het affinancieren van het tijdsevenredige Lommerts-pensioen en het collectieve pensioen tot 1 oktober 1992 een bedrag ten bedrage van ƒ 108.902,66, dit tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

II. aan [eiser] op de door deze aan te geven wijze te voldoen inzake de tijdsevenredige affinanciering van de pensioenverplichtingen vanaf 1 oktober 1992 tot 1 augustus 1998 een bedrag groot ƒ 61.446,--, dit ook tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

III. aan [eiser] op de door deze aan te geven wijze te voldoen inzake de overeengekomen vergoeding wegens pensioenschade een bedrag groot ƒ 403.963,--, dit tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

IV. aan [eiser] te voldoen de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van ƒ 21.389,34, dit tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

V. aan [eiser] te voldoen de wettelijke rente sedert 1 augustus 1998, dan wel sedert de dag van deze dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening over de hiervoor sub I t/m IV genoemde bedragen;

VI. tot betaling van de kosten van de procedure.

Eemsmond c.s. hebben de vorderingen bestreden.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 6 november 1998 een comparitie van partijen gelast en bij eindvonnis van 8 januari 1999 Eemsmond c.s. veroordeeld om tegen bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen de wettelijke rente over ƒ 108.902,66 over de periode van 17 augustus 1998 tot 24 september 1998, het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Tegen beide vonnissen heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden.

Bij arrest van 21 augustus 2002 heeft het hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Eemsmond c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot vernietiging en verwijzing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Tussen [eiser] en Eemsmond Beheer B.V. (verder: Eemsmond Beheer) is een arbeidsovereenkomst tot stand gekomen op basis waarvan [eiser] per 1 mei 1990 de positie vervulde van statutair bestuurder en werknemer van Eemsmond Beheer. Daarbij gold, in verband met een overname door Eemsmond Beheer, als datum van indiensttreding 11 augustus 1969. [Eiser] is per 1 mei 1990 ook benoemd tot statutair bestuurder van Eemsmond Betoncentrale B.V.

(ii) Deze bestuursfuncties van [eiser] zijn bij aandeelhoudersbesluiten van 30 januari 1998 met ingang van 1 februari 1998 beëindigd.

(iii) Het dienstverband van [eiser] bij Eemsmond Beheer is bij brief van 30 januari 1998 tegen 1 augustus 1998 opgezegd.

(iv) In verband met de beëindiging van de bestuursfuncties en de opzegging van de arbeidsovereenkomst hebben partijen op 31 januari 1998/12 februari 1998 een vaststellingsovereenkomst ondertekend.

(v) Art. 13 van deze overeenkomst bepaalt - samengevat - dat Eemsmond Beheer zal zorgdragen voor een (correcte) affinanciering van het pensioen van [eiser].

(vi) Eemsmond Betoncentrale B.V. heeft op 24 september 1998 een bedrag van ƒ 108.902,66 ter zake van de affinanciering collectieve pensioenvoorziening en op 28 september 1998 een bedrag van ƒ 61.446,-- ter zake van affinanciering individuele pensioenvoorziening voldaan.

3.2 In cassatie gaat het alleen nog om de hiervoor in 1 vermelde vordering van [eiser] tot veroordeling van Eemsmond Beheer c.s. tot betaling van een overeengekomen vergoeding wegens pensioenschade ten bedrage van ƒ 403.963,--. [Eiser] heeft aan die vordering ten grondslag gelegd dat in een bespreking op 29 januari 1998 overeenstemming is bereikt over de aan [eiser] toekomende vergoeding ter zake van zijn pensioenschade. De rechtbank heeft deze vordering in haar eindvonnis afgewezen. Het hof heeft dit vonnis bekrachtigd. De overwegingen die het hof tot deze beslissing hebben geleid, kunnen als volgt worden samengevat.

(a) Het wezen van de vaststellingsovereenkomst, waarbij partijen zich binden aan een vaststelling die ook bestemd is te gelden voorzover zij van een tevoren bestaande rechtstoestand mocht afwijken, impliceert dat zelfs al zou de door [eiser] gestelde overeenkomst inzake pensioenschade zijn gesloten, Eemsmond Beheer c.s. niet gehouden zijn tot nakoming daarvan, nu deze overeenkomst niet haar weerslag heeft gevonden in de op 31 januari 1998 tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst, waarbij [eiser] geen enkel voorbehoud heeft gemaakt met betrekking tot deze vordering, maar - integendeel - Eemsmond c.s. finale kwijting heeft verleend.

(b) Bewijslevering die zich richt tegen de inhoud van de vaststellingsovereenkomst, is daarom niet ter zake dienende.

(c) Het beroep op het Haviltex-criterium snijdt geen hout, nu de vaststellingsovereenkomst klaarblijkelijk alles wat met het pensioen van [eiser] te maken heeft, uitputtend regelt en daarin met geen woord wordt gerept over pensioenschade, en [eiser] aan Eemsmond Beheer c.s. wel finale kwijting heeft verleend.

(d) Ten overvloede overweegt het hof dat "niet wel denkbaar" is dat partijen, die volgens [eiser] langdurig over de pensioenschade hebben onderhandeld en volgens hem op 29 januari 1998 tot overeenstemming zijn gekomen, dienaangaande niets in hun - overigens uitputtende - vaststellingsovereenkomst van 31 januari 1998 hebben opgenomen. In ieder geval valt niet te begrijpen waarom [eiser] op 12 februari 1998 de vaststellingsovereenkomst (inclusief de finale kwijting) heeft getekend.

3.3.1 Onderdeel 1 van het middel richt een rechtsklacht en een motiveringsklacht tegen de hiervoor in 3.2 weergegeven oordelen van het hof.

3.3.2 De rechtsklacht houdt in dat het hof heeft miskend dat het voor de uitleg van (een kwijtingsbepaling in) een vaststellingsovereenkomst aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan (die bepaling dan wel) die overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Deze klacht faalt, nu uit het onder (c) vermelde oordeel van het hof blijkt dat het hof deze maatstaf niet uit het oog heeft verloren.

3.3.3 Voorzover het onderdeel klaagt dat het hof zijn oordeel, gelet op de door [eiser] aangevoerde stellingen, ontoereikend heeft gemotiveerd, is het gegrond. Bij de beoordeling van dit onderdeel moet in cassatie veronderstellenderwijs als vaststaand worden aangenomen dat - zoals door [eiser] is gesteld, door Eemsmond Beheer c.s. is betwist en door het hof in het midden is gelaten - tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot de onderhavige pensioenschade. Met betrekking tot deze schade is in de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst met zoveel woorden niets geregeld. Uit de tekst van de overeenkomst kan daarom niet zonder meer worden afgeleid dat partijen de bedoeling hebben gehad ook dit onderwerp in de vaststellingsovereenkomst te betrekken. Het is mogelijk dat de in deze overeenkomst opgenomen finale kwijting betrekking heeft op alle tussen partijen in hun onderlinge rechtsverhouding gerezen geschillen, maar het is niet uitgesloten dat partijen, zoals [eiser] aanvoert, de pensioenschade juist niet in de vaststellingsovereenkomst hebben vermeld omdat zij over dit onderwerp al eerder overeenstemming hadden bereikt. Het hof had derhalve, in het licht van het daarover door partijen gevoerde processuele debat, nader moeten motiveren waarom het van oordeel was dat [eiser] in de vaststellingsovereenkomst ook ter zake van de afwikkeling van de pensioenschade aan Eemsmond Beheer c.s. finale kwijting gaf in dier voege dat hem daarvoor geen vergoeding werd toegekend ondanks het feit dat volgens hem daarover kort tevoren andersluidende afspraken waren gemaakt. Het ontbreken van een voorbehoud in de vaststellingsovereenkomst kan weliswaar, naar het hof heeft geoordeeld, een aanwijzing voor de juistheid van het standpunt van Eemsmond Beheer c.s. opleveren, doch zonder nadere motivering, die ontbreekt, is deze aanwijzing niet voldoende om aan te nemen dat de uitleg die [eiser] onder verwijzing naar de in het onderdeel vermelde omstandigheden heeft verdedigd, niet voor juist kan worden gehouden.

3.4 Nu onderdeel 1 slaagt, behoeft onderdeel 2, dat betrekking heeft op het in dit verband gedane bewijsaanbod, geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te Leeuwarden van 21 augustus 2002;

verwijst het geding naar het gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt Eemsmond Beheer c.s. in de kosten van het geding is cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 4.682,36 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren D.H. Beukenhorst, als voorzitter, A.M.J. van Buchem-Spapens, A. Hammerstein, E.J. Numann en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 2 april 2004.