Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AO1944

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-03-2004
Datum publicatie
26-03-2004
Zaaknummer
C02/286HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AO1944
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

26 maart 2004 Eerste Kamer Nr. C02/286HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: de vennootschap naar Amerikaans recht PFIZER INC., gevestigd te New York, Verenigde Staten van Amerika, EISERES tot cassatie, advocaat: mr. C.J.J.C. van Nispen, t e g e n DOPHARMA B.V., gevestigd te Raamsdonkveer, gemeente Geertruidenberg, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. H.A. Groen. 1. Het geding in voorgaande instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 167
JWB 2004/127
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

26 maart 2004

Eerste Kamer

Nr. C02/286HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

de vennootschap naar Amerikaans recht PFIZER INC., gevestigd te New York, Verenigde Staten van Amerika,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. C.J.J.C. van Nispen,

t e g e n

DOPHARMA B.V., gevestigd te Raamsdonkveer, gemeente Geertruidenberg,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. H.A. Groen.

1. Het geding in voorgaande instanties

Voor het verloop van het geding in voorgaande instanties tussen thans eiseres tot cassatie - verder te noemen: Pfizer - en thans verweerster in cassatie - verder te noemen: Dopharma - verwijst de Hoge Raad naar zijn arrest van 24 november 1995, nr. 15.836, NJ 1999, 218. Bij dit arrest heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie tegen het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 30 juli 1994, waarbij het hof het vonnis van de rechtbank te Breda van 30 maart 1993 heeft bekrachtigd, verworpen.

Bij vonnis van 30 maart 1993 heeft de rechtbank Breda Dopharma veroordeeld aan Pfizer tegen kwijting te vergoeden de door Pfizer als gevolg van met het octrooi strijdige handelingen geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, dan wel - naar keuze van Pfizer - aan Pfizer af te dragen de winst die door Dopharma met haar bedoelde onrechtmatige handelingen is behaald en dienaangaande rekening en verantwoording af te leggen ten overstaan van een rechter-commissaris, die schadevergoeding of af te dragen winst te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding (23 januari 1987) tot de dag der voldoening.

Dopharma heeft bij exploot van 29 november 1996 aan Pfizer een op 27 maart 1996 opgemaakt proces-verbaal van afleggen van rekening en verantwoording, met daaraan gehecht de door een registeraccountant opgestelde schadeberekening ten bedrage van ƒ 46.124,--, doen betekenen.

De rechtbank heeft bij vonnis van 17 december 1996 Dopharma bevolen om aan Pfizer te betalen een bedrag van ƒ 46.124,--, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 januari 1987 tot de dag der algehele voldoening.

Bij exploot van 30 december 1996 heeft Pfizer een schriftuur van debat ex art. 777 lid 1 (oud) Rv. aan Dopharma doen betekenen en bij exploot van 21 januari 1997 heeft Dopharma aan Pfizer de memorie van contra-debat als bedoeld bij art. 777 lid 2 (oud) Rv. doen betekenen.

De rechtbank heeft bij tussenvonnissen van 6 mei 1997 en 19 augustus 1997 een deskundigenonderzoek gelast, een deskundige benoemd en een aantal vraagpunten geformuleerd.

Na deskundigenbericht heeft Pfizer gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Dopharma zal veroordelen aan Pfizer tegen kwijting te vergoeden een bedrag van ƒ 1.286.798,40, te vermeerderen met de wettelijke rente tot de dag van de voldoening.

De rechtbank heeft bij eindvonnis van 16 maart 1999 Dopharma veroordeeld om tegen kwijting aan Pfizer te betalen een bedrag van ƒ 365.876,--, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 januari 1987 tot aan de dag der algehele betaling, en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Tegen de vonnissen van 6 mei 1997, 19 augustus 1997 en 16 maart 1999 heeft Dopharma hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Bij memorie van grieven heeft Dopharma haar in de appeldagvaarding geformuleerde eis gewijzigd en gevorderd de vonnissen waarvan beroep te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad:

I. Pfizer te veroordelen tot (terug)betaling van het door Dopharma uit hoofde van het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Breda van 16 maart 1999 aan Pfizer op 7 april 1999 betaalde bedrag van ƒ 752.147,04, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 april 1999 tot aan de dag van voldoening althans vanaf 2 juni 1999;

II. Dopharma te veroordelen tot betaling aan Pfizer van een bedrag van ƒ 61.143,--, althans ƒ 66.996,--, althans het door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, verminderd met de reeds door Dopharma aan Pfizer terzake gedane betaling van ƒ 46.124,-- in hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 januari 1987 tot aan de dag der voldoening;

III. Pfizer te veroordelen aan Dopharma te betalen de somma van ƒ 17.625,-- terzake de kosten van deskundigenbericht in eerste aanleg, althans, subsidiair, Pfizer te veroordelen het door het hof in goede justitie te bepalen deel van de kosten van het deskundigenbericht te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 januari 2000 tot aan de dag der voldoening;

IV. Pfizer te veroordelen in de kosten van beide instanties.

Pfizer heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij tussenarrest van 1 november 2001 heeft het hof op het principaal en incidenteel appel een comparitie van partijen gelast.

Bij eindarrest van 4 juli 2002 heeft het hof op het principaal en incidenteel appel:

1. de vonnissen van 19 augustus l997 en 6 mei 1997 bekrachtigd;

2. het eindvonnis van 16 maart 1999 vernietigd, behoudens ten aanzien van de kostenveroordeling (proceskosten en kosten deskundige), het vonnis in zoverre bekrachtigd, en voor het overige als volgt opnieuw recht doende:

3. Dopharma veroordeeld tegen kwijting aan Pfizer te betalen een bedrag groot € 45.817,28, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 januari 1987 tot de dag der voldoening;

4. Pfizer veroordeeld tot (terug)betaling aan Dopharma van het bedrag groot € 341.309,45, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 april 1999 tot de dag der voldoening;

5. de veroordelingen onder 3 en 4 uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

6. de kosten van het principale en incidentele appel aldus gecompenseerd dat elk van partijen de eigen kosten draagt, en

7. het meer of anders gevorderde afgewezen.

De arresten van het hof van 1 november 2001 en 4 juli 2002 zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen beide arresten van het hof heeft Pfizer beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Dopharma heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Pfizer in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Dopharma begroot op € 4.607,34 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, D.H. Beukenhorst, A.M.J. van Buchem-Spapens en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 26 maart 2004.