Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AO1315

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-03-2004
Datum publicatie
12-03-2004
Zaaknummer
C03/115HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AO1315
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

12 maart 2004 Eerste Kamer Nr. C03/115HR JMH/MD Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiseres], wonende te [woonplaats], EISERES tot cassatie, advocaat: mr. P. Garretsen, t e g e n [Verweerder], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 402
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 142
NJ 2004, 424
JWB 2004/103
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 maart 2004

Eerste Kamer

Nr. C03/115HR

JMH/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres],

wonende te [woonplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen,

t e g e n

[Verweerder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploot van 28 september 2000 eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - op verkorte termijn gedagvaard voor de kantonrechter te Groningen en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. te ontbinden de tussen partijen bestaande huurovereenkomst betreffende de woonruimte aan de [a-straat 1] te [plaats] op grond van de zijdens [eiseres] gepleegde wanprestatie, en

2. [eiseres] te gelasten om binnen 4 weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, althans binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn, over te gaan tot ontruiming van voormelde woning, bij gebreke waarvan [verweerder] wordt gemachtigd om deze ontruiming te laten plaatsvinden op kosten van [eiseres] met tussenkomst van een deurwaarder en met assistentie van politie en justitie.

[Eiseres] heeft de vordering bestreden.

De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 2 november 2000 een comparitie van partijen gelast en bij eindvonnis van 27 september 2001 de vordering van [verweerder] afgewezen.

Tegen beide vonnissen heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij de rechtbank te Groningen.

Bij tussenvonnis van 13 september 2002 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast; bij eindvonnis van 29 november 2002 heeft de rechtbank [verweerder] niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het tussenvonnis van de kantonrechter van 2 november 2000, het eindvonnis van 27 september 2001 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vordering van [verweerder] alsnog toegewezen.

Beide vonnissen van de rechtbank zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen beide vonnissen van de rechtbank heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen de niet verschenen [verweerder] is verstek verleend.

[Eiseres] heeft de zaak doen toelichten door haar advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres] in haar cassatieberoep.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Ingevolge art. 402 lid 1 Rv. moet het beroep in cassatie - behoudens hier niet van belang zijnde uitzonderingen - worden ingesteld binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak. Nu het eindvonnis van de rechtbank is gewezen op 29 november 2002, eindigde de termijn voor beroep in cassatie op 28 februari 2003 (een vrijdag). Het beroep is echter pas ingesteld op 3 maart 2003 en mitsdien te laat. [Eiseres] dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar beroep.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart [eiseres] niet-ontvankelijk in haar beroep;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren J.B. Fleers, als voorzitter, A. Hammerstein en E.J. Numann, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 12 maart 2004.