Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AO1294

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-10-2004
Datum publicatie
29-10-2004
Zaaknummer
38319
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AO1294
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

- Artikel 5, lid 8 en 26 bis, Zesde Richtlijn

- Artikel 28b – 28i Wet omzetbelasting 1968

- Artikel 4c en 8 Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968

- Margeregeling

- Globalisatieregeling

- Doorschuiving inkoopprijs gebruikte goederen bij bedrijfsovername

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 28d
Wet op de omzetbelasting 1968 31
Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 4c
Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2004/427 met annotatie van D.B. Bijl
FED 2004/622
WFR 2004/1673, 1
V-N 2004/57.25 met annotatie van Redactie
FutD 2004-1984 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 38.319

29 oktober 2004

EC

gewezen op het beroep in cassatie van Fiscale Eenheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 14 maart 2002, nr. 99/1009, betreffende na te melden beschikking inzake omzetbelasting.

1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof

Belanghebbendes verzoek om teruggaaf van omzetbelasting over het tijdvak 1997 tot een bedrag van ƒ 38.581 is door de Inspecteur bij beschikking van 3 juli 1998 ingewilligd tot een bedrag van ƒ 12.538, welke beschikking, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard.

De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal J.A.C.A. Overgaauw heeft op 20 november 2003 geconcludeerd tot aanhouding van de zaak totdat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen de op zijn voorstel in de aanhangige zaak met nr. 38320 te stellen prejudiciële vragen heeft beantwoord.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende is wederverkoper van gebruikte auto's. Zij past daarbij de zogenoemde globalisatie-regeling toe. Per 14 maart 1997 heeft belanghebbende een automobielbedrijf overgenomen. Op die overname is het bepaalde in artikel 31 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) van toepassing. In de overname was een voorraad marge-auto's begrepen ter waarde van ƒ 203.800. Belanghebbende wenst dat bedrag als marge-inkopen aan te merken.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat artikel 8, lid 1, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 (hierna: de Beschikking) bepaalt dat in het geval als bedoeld in artikel 31 van de Wet degene aan wie de overdracht van de onderneming is geschied, wat de onderneming betreft, geacht wordt in de plaats te zijn getreden van degene die de onderneming heeft overgedragen (substitutieregel). Voorts heeft het Hof geoordeeld dat deze bepalingen, die zijn gebaseerd op artikel 5, lid 8, van de Zesde richtlijn (hierna: de Richtlijn), verbindend zijn, en er aan in de weg staan dat belanghebbende de overgenomen voorraad marge-auto's als marge-inkopen in aanmerking kan nemen.

Tegen dit oordeel richt zich middel I.

3.3. Artikel 5, lid 8, van de Richtlijn houdt in dat de lidstaten, in geval van overgang van een algemeenheid van goederen, zich op het standpunt kunnen stellen dat geen levering van goederen heeft plaatsgevonden en dat degene op wie de goederen overgaan, in de plaats treedt van de overdrager. Nederland heeft die mogelijkheid benut (artikel 31 van de Wet en artikel 8, lid 1, van de Beschikking).

3.4. Gelet op die keuze, brengt het bepaalde in artikel 5, lid 8, van de Richtlijn, naar redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is, mee dat de overdracht van een voorraad gebruikte goederen door een wederverkoper welke onderdeel vormt van een overgang van een algemeenheid van goederen - zoals bij de verkoop van een onderneming - niet geldt als een levering van goederen. Een dergelijke overdracht kan derhalve bij het bepalen van de winstmarge van de overdragende wederverkoper niet in aanmerking worden genomen; evenmin kan de overnemende wederverkoper hetgeen hij voor die goederen heeft betaald als aankoopprijs in aanmerking nemen. Middel I faalt derhalve.

3.5. Middel II berust op de stelling dat het Hof heeft miskend dat de overdrager een ongerechtvaardigd voordeel als bedoeld in artikel 26 bis, onderdeel B, lid 10, slotzin van de Richtlijn heeft genoten doordat hij de inkoopprijs van de aan belanghebbende overgedragen goederen in aanmerking heeft kunnen nemen bij het bepalen van zijn winstmarge en dat belanghebbende een dito ongerechtvaardigde schade lijdt omdat hij die inkoopprijs van de overdrager niet in aanmerking mag nemen bij de bepaling van de winstmarge behaald bij de verkoop van die goederen.

3.6. De in artikel 26 bis, onderdeel B, lid 10, van de Richtlijn opgenomen globalisatieregeling brengt mee dat wat betreft de goederen zelf geen verband behoeft te bestaan tussen de inkopen in een tijdvak en de verkopen in dat tijdvak. Ook de omstandigheid dat de in een tijdvak ingekochte goederen in het kader van de verkoop van het bedrijf worden overgedragen en dat die overdracht op grond van artikel 31 van de Wet niet als een levering van goederen is te beschouwen, vormt derhalve, naar redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is, geen reden om die inkoop bij de bepaling van de winstmarge van de overdrager in het tijdvak waarin de inkoop plaatsvond niet in aanmerking te nemen. Gelet op het karakter van de globalisatieregeling kan niet worden gezegd dat de overdrager daardoor een ongerechtvaardigd voordeel geniet. Dat brengt mee dat evenmin kan worden gezegd dat degene die het bedrijf overneemt - en die ingevolge artikel 5, lid 8, van de Richtlijn in de plaats treedt van de overdrager - een ongerechtvaardigde schade lijdt doordat de inkoopprijzen van zijn voorganger niet ten tweede male in aanmerking mogen worden genomen. Ook middel II faalt derhalve.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2004.