Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AO1235

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-02-2004
Datum publicatie
20-02-2004
Zaaknummer
C02/297HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AO1235
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

20 februari 2004 Eerste Kamer Nr. C02/297HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand, t e g e n 1. AMEV SCHADEVERZEKERING N.V., gevestigd te Amstelveen, 2. AVERO SCHADEVERZEKERING N.V., gevestigd te Leeuwarden, VERWEERSTERS in cassatie,

niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 96
JWB 2004/66
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 februari 2004

Eerste Kamer

Nr. C02/297HR

JMH/AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiser], wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand,

t e g e n

1. AMEV SCHADEVERZEKERING N.V., gevestigd te Amstelveen,

2. AVERO SCHADEVERZEKERING N.V., gevestigd te Leeuwarden,

VERWEERSTERS in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweersters in cassatie - verder afzonderlijk te noemen: Amev en Avero, dan wel gezamenlijk: de verzekeraars - hebben bij exploot van 21 augustus 1998 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor de rechtbank te Roermond en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] te veroordelen aan Amev te betalen een bedrag van ƒ 110.424,-- en aan Avero een bedrag van ƒ 40.987,34, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 september 1996 tot aan de dag der algehele voldoening.

[Eiser] heeft de vordering bestreden.

Nadat tegen de niet verschenen [eiser] verstek was verleend, heeft de rechtbank bij verstekvonnis van 22 oktober 1998 de vordering van de verzekeraars toegewezen.

[Eiser] is bij exploot van 11 november 1998 tegen voormeld verstekvonnis in verzet gekomen.

De verzekeraars hebben in oppositie de vordering bestreden.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 22 juli 1999 de verzekeraars tot bewijslevering toegelaten. Na enquête heeft de rechtbank bij eindvonnis van 25 mei 2000 het verzet van [eiser] gegrond verklaard, voormeld verstekvonnis vernietigd, [eiser] ontheven van de tegen hem bij voormeld verstekvonnis uitgesproken veroordeling, de vorderingen van de verzekeraars afgewezen, hen veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [eiser], en dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Tegen de vonnissen van 22 juli 1999 en 25 mei 2000 hebben de verzekeraars hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Bij arrest van 16 juli 2002 heeft het hof beide bestreden vonnissen alsmede het verstekvonnis van 22 oktober 1998 van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, [eiser] veroordeeld aan Amev te betalen € 49.393,52 en aan Avero € 18.599,24, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 september 1996 tot aan de dag van de voldoening, [eiser] veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de verzekeraars in beide instanties, en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen de niet verschenen verzekeraars is verstek verleend.

[Eiser] heeft de zaak doen toelichten door zijn advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 12 december 2003 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Op 22 november 1995 is brand ontstaan in de woning van [betrokkene 1] ten gevolge waarvan schade is ontstaan aan die woning alsmede aan zich in die woning bevindende roerende zaken.

(ii) [Betrokkene 1] had het risico van schade door brand aan zijn woning verzekerd bij Amev Schadeverzekering N.V. en het risico van schade door brand aan zijn roerende zaken bij Avero Schadeverzekering N.V.

(iii) Op grond van deze verzekeringsovereenkomsten heeft Amev Schadeverzekering N.V. aan [betrokkene 1] een bedrag van ƒ 110.424,00 uitgekeerd en Avero Schadeverzekering N.V. een bedrag van ƒ 40.987,34. Zij zijn daardoor gesubrogeerd in de eventuele rechten die [betrokkene 1] ter zake van die schade tegen derden heeft.

(iv) In de woonkamer van de woning van [betrokkene 1] bevond zich ten tijde van de brand een houtkachel. Het rookgasafvoerkanaal van deze kachel werd via de eerste en de tweede verdieping van de woning door het dak naar buiten geleid.

(v) Medio 1994 heeft [eiser] op verzoek van [betrokkene 1] in dit rookgasafvoerkanaal een zogenaamde versleping aangebracht, welke diende ter verlegging van de loop daarvan. Deze versleping bestond uit twee bochten van 45 graden, welke bochten door [eiser] op elkaar gemonteerd zijn en voorts door hem zijn aangesloten op het rookgasafvoerkanaal. De afzonderlijke bochten bestonden elk uit twee enkelwandige bochten - één van gegalvaniseerd staal en één van roestvrij staal - die door [eiser] over elkaar zijn geschoven zodat twee dubbelwandige bochten ontstonden.

(vi) Bij brief van 16 augustus 1996 heeft Amev c.s. [eiser] aansprakelijk en in gebreke gesteld voor de door [betrokkene 1] geleden brandschade.

3.2 Amev c.s. hebben [eiser] gedagvaard en onder meer betaling gevorderd van de hiervoor onder 3.1 (iii) genoemde bedragen. Bij tussenvonnis heeft de rechtbank verzekeraars opgedragen te bewijzen dat de brand is ontstaan in een door [eiser] aangelegd gedeelte van het rookkanaal. In haar eindvonnis heeft de rechtbank de vordering afgewezen. Het hof heeft echter de vonnissen van de rechtbank vernietigd en de vorderingen toegewezen.

3.3.1 De rechtbank heeft in haar tussenvonnis in rov. 4.3 geoordeeld dat, hoewel vaststaat dat het rookgaskanaal ondeugdelijk is aangelegd, daarmee nog niet vaststaat dat [eiser] aansprakelijk is voor de schade. Alvorens hierover te kunnen oordelen, dient vast te staan, aldus de rechtbank, dat [eiser] het gehele rookgaskanaal inclusief de doorvoer door de balklaag van de eerste verdieping met uitzondering van het rookgaskanaal vanaf de houtkachel tot de eerste verdieping heeft aangelegd, dan wel, indien [eiser] uitsluitend de versleping heeft aangebracht, dat de brand is ontstaan in de door [eiser] aangelegde versleping. Juist deze twee aspecten, vervolgt de rechtbank, vormen onderwerp van debat tussen partijen: de vraag of [eiser] het gehele rookgaskanaal heeft aangelegd alsmede de vraag waar de brand precies ontstaan is. De rechtbank heeft vervolgens Amev c.s. toegelaten tot het in 3.2 vermelde bewijs.

3.3.2 In haar eindvonnis heeft de rechtbank in rov. 2 geoordeeld dat Amev c.s. niet zijn geslaagd in het hun opgedragen bewijs omdat niet is komen vast te staan dat [eiser] het gehele rookgasafvoerkanaal vanaf de eerste verdieping heeft aangelegd en voorts niet meer is na te gaan waar de brand precies is ontstaan. Dit leidt ertoe, aldus de rechtbank, dat de vorderingen van Amev c.s. dienen te worden afgewezen.

3.3.3 Amev c.s. hebben in hun grief I gesteld dat de rechtbank ten onrechte in haar tussenvonnis aan Amev c.s. te bewijzen heeft opgedragen "dat de brand is ontstaan in een door [eiser] aangelegd gedeelte van het rookgasafvoerkanaal (beter: dat het gehele rookgasafvoerkanaal met uitzondering van de staande pijp in de parterre door [eiser] is aangelegd)." Voorts stellen zij in de toelichting op deze grief dat de slotsom derhalve had moeten zijn "dat, behoudens door [eiser] te leveren tegenbewijs de aanleg van het rookgasafvoerkanaal door [eiser] was uitgevoerd onder de gegeven omstandigheden; art. 177 Rv. is daarmee geenszins in strijd, integendeel!" Grief II houdt in dat de rechtbank ten onrechte in haar tussenvonnis niet heeft aangenomen "dat de brand, behoudens door [eiser] te leveren tegenbewijs, is ontstaan in de door [eiser] aangebrachte versleping".

3.3.4 Het hof heeft bij de beoordeling van grief I ("gericht op de bewijsposities van partijen", aldus het hof) in rov. 4.4 tot uitgangspunt genomen dat [eiser] in ieder geval een deel van het rookgaskanaal heeft aangelegd, de versleping, en wel het moeilijkste gedeelte. Het hof vervolgt: "AMEV c.s. stellen onbetwist dat [eiser] niet heeft gewaarschuwd voor de gevolgen van een uitvoering, zoals voorgenomen. Dat had op zijn weg, als vakman, gelegen." Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat het onder die omstandigheden niet van belang is of de brand ontstaan is in een mogelijk niet door [eiser] aangelegd gedeelte van het rookgaskanaal zodat ten onrechte bewijs van die aanleg en de plaats van het ontstaan van de brand is opgelegd en hij ook aansprakelijk dient te worden geacht indien dat laatste het geval zou zijn geweest. Derhalve slaagt grief I, aldus het hof, en kunnen de beide aangevallen vonnissen niet in stand blijven.

3.4 Het hof is met zijn oordeel, zoals vervat in rov. 4.4. (het is niet van belang of de brand is ontstaan in een mogelijk niet door [eiser] aangelegd gedeelte van het rookgasafvoerkanaal) buiten de rechtsstrijd van partijen getreden, nu grief I slechts de klacht bevatte dat de rechtbank op grond van de vaststaande feiten en omstandigheden had moeten oordelen (zulks in overeenstemming met art. 177 (oud) Rv.) dat behoudens door [eiser] te leveren tegenbewijs, het gehele rookgasafvoerkanaal door [eiser] was aangelegd en grief II een soortgelijke klacht bevatte met betrekking tot het oordeel van de rechtbank over de plaats waar de brand is ontstaan en beide klachten derhalve (evenals de daarop voortbouwende klachten III t/m V) de juistheid van de door de rechtbank in haar tussenvonnis genoemde bewijsthema's uitdrukkelijk tot uitgangspunt namen. De daarop gerichte klachten van de onderdelen 2.2 en 2.3 treffen derhalve doel. De overige onderdelen behoeven geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 16 juli 2002;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt Amev c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 1.928,74 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren J.B. Fleers, als voorzitter, A.M.J. van Buchem-Spapens, P.C. Kop, E.J. Numann en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 20 februari 2004.