Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AO1213

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-03-2004
Datum publicatie
05-03-2004
Zaaknummer
C02/279HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AO1213
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2002:3, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

5 maart 2004 Eerste Kamer Nr. C02/279HR JMH/HJH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: VGC STORAGE & TRANSPORT B.V., gevestigd te Rotterdam, EISERES tot cassatie, advocaat: mr. J.A.M.A. Sluysmans, t e g e n de vennootschap naar Engels recht GE SEACO SERVICES LTD., gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. R.S. Meijer. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 121
NJ 2004, 548 met annotatie van K.F. Haak
RvdW 2004, 44
S&S 2004, 61
JWB 2004/88
JOR 2004/178
RV 2014/136 met annotatie van Redactie van Rechtspraak Vermogensrecht
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

5 maart 2004

Eerste Kamer

Nr. C02/279HR

JMH/HJH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

VGC STORAGE & TRANSPORT B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. J.A.M.A. Sluysmans,

t e g e n

de vennootschap naar Engels recht GE SEACO SERVICES LTD.,

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. R.S. Meijer.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie - verder te noemen: GE SEACO - heeft bij exploot van 12 september 2001 eiseres tot cassatie - verder te noemen: VGC - in kort geding gedagvaard voor de president van de rechtbank te Rotterdam en gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. VGC te verbieden over te gaan tot verkoop van de in de dagvaarding genoemde containers, en

2. VGC te veroordelen de 13 containers vrij te stellen aan GE SEACO, althans af te geven na betaling van US$ 3,250.00, een en ander op straffe van een dwangsom van US$ 750,00 per container per dag, een en ander met een maximum van US$ 75.000,00 (ongeveer de vervangingswaarde van de containers).

VGC heeft de vordering bestreden en in reconventie, zo beslag is gelegd, opheffing van dat beslag en een verbod tot het leggen van een beslag op de containers gevorderd.

GE SEACO heeft de vordering in reconventie bestreden.

De president heeft bij vonnis van 2 oktober 2001 zowel in conventie als in reconventie de vorderingen afgewezen en verstaan dat geen proceskosten zijn gemaakt.

Tegen dit vonnis heeft GE SEACO hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij arrest van 9 juli 2002 heeft het hof het bestreden vonnis, voor zover in conventie gewezen, vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vordering van GE SEACO alsnog toegewezen.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft VGC beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

GE SEACO heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) GE SEACO heeft containers verhuurd aan Norasia Lines (Malta) Ltd. (hierna: Norasia). Omdat Norasia haar betalingsverplichtingen niet nakwam, heeft GE SEACO de containers teruggeëist.

(ii) Dertien containers staan op het terrein van VGC. VGC weigert deze containers af te geven en doet daartoe een beroep op een retentierecht wegens een openstaande vordering op Norasia.

(iii) Norasia huurde niet alleen van GE SEACO maar ook van andere containerverhuurbedrijven en beschikte daarnaast over eigen containers. Al die containers werden, indien ze niet werden gebruikt voor transport, opgeslagen bij depothouders als VGC en, zo nodig, daar ter reparatie aangeboden.

3.2 GE SEACO heeft in dit kort geding gevorderd, voor zover in cassatie van belang, dat het VGC zal worden verboden over te gaan tot verkoop van de dertien containers en dat VGC zal worden veroordeeld tot afgifte ervan en heeft daartoe - subsidiair - aangevoerd dat VGC zich slechts op een retentierecht kan beroepen jegens GE SEACO, voor zover het betreft kosten die VGC heeft gemaakt ten behoeve van de dertien teruggehouden containers, en niet voor de volledige vordering die VGC op Norasia heeft.

VGC heeft als verweer aangevoerd dat voor het inroepen van een retentierecht jegens een derde met een ouder recht voldoende is dat de vordering waarvoor het retentierecht wordt ingeroepen, voortvloeit uit dezelfde overeenkomst als die welke met betrekking tot de teruggehouden zaken is gesloten.

3.3 De president heeft de vorderingen afgewezen. Op het door GE SEACO ingestelde hoger beroep heeft het hof het vonnis van de president vernietigd, voor zover het in conventie is gewezen, en VGC verboden over te gaan tot verkoop van de desbetreffende containers. Het hof heeft, voor zover in cassatie van belang, als volgt geoordeeld:

"6. Er daarom - niettemin - vanuit gaande dat sprake is geweest van een raamcontract tussen VGC en Norasia - zoals ook namens VGC bij pleidooi in hoger beroep is aangevoerd -, betekent dit niet dat VGC jegens GE Seaco een retentierecht kan uitoefenen voor alle nota's die uit het verleden onder dit contract nog openstaan. GE Seaco zou in dat geval moeten opdraaien voor de kosten van opslag, reparatie en transport van containers van derden.

7. De door art. 3:291, lid 2, BW vereiste nauwe samenhang tussen de vordering en de teruggehouden zaak brengt voor dit geval mee dat het retentierecht op de dertien containers slechts geldt voor hetgeen onder de overeenkomst met betrekking tot die containers, afzonderlijk, verschuldigd is.

Voor zover de vordering betrekking heeft op containers van anderen dan GE Seaco, kan VGC zonodig jegens die anderen (en uiteraard Norasia) een retentierecht inroepen ten aanzien van de van hen teruggehouden zaken."

3.4 Het middel klaagt onder A dat het hof, voor zover het bij de beoordeling van de omvang van het door VGC gepretendeerde retentierecht (in rov. 7) ervan uitgaat dat art. 3:291 lid 2 BW beoogt het retentierecht uit te sluiten voor zover het betrekking heeft op eerdere vorderingen uit dezelfde overeenkomst, daarmee blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Het voert daartoe aan dat art. 3:291 lid 2 BW (enkel) tot doel heeft het retentierecht van de schuldeiser uit te sluiten voor zover het vorderingen betreft uit (eerdere) andere overeenkomsten en dat de connexiteit bij art. 3:291 lid 2 BW niet is aangebracht tussen de vordering en de zaak, maar - en dus ruimer - tussen de overeenkomst en de zaak.

De klacht onder B houdt in, dat voor zover het hof bij de beoordeling van de omvang van het door VGC gepretendeerde retentierecht wel uitgaat van de juiste (onder A weergegeven) rechtsopvatting, zonder nadere motivering (die ontbreekt) onbegrijpelijk is waarom (in de woorden van het hof) "in dit geval" het retentierecht op de dertien containers slechts geldt voor hetgeen onder de overeenkomst met betrekking tot die containers - afzonderlijk - verschuldigd is, nu het hof nalaat aan te geven welke omstandigheden "dit geval" bijzonder maken.

3.5.1Onderdeel A stelt de vraag aan de orde hoe het bepaalde in art. 3:291 lid 2 in een geval als het onderhavige moet worden uitgelegd. Bij de beantwoording van deze vraag dient het volgende in aanmerking genomen te worden. Aan deze bepaling ligt de gedachte ten grondslag dat de retentor de bescherming van het retentierecht ook jegens derden met een ouder recht toekomt, zij het alleen in de daarin omschreven gevallen, te weten indien zijn vordering voortspruit uit een overeenkomst die de schuldenaar bevoegd was met betrekking tot de zaak aan te gaan, of indien hij geen reden had om aan de bevoegdheid van de schuldenaar te twijfelen. Zowel uit de tekst van de bepaling als uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het inroepen van het retentierecht jegens derden met een ouder recht in beperktere mate is toegestaan dan jegens de schuldenaar zelf of jegens derden met een jonger recht. Bij de uitleg van deze bepaling moet worden gelet enerzijds op het belang van de schuldeiser die zich op het retentierecht beroept en van wie veelal niet kan worden gevergd dat hij zich verdiept in de bevoegdheid van zijn contractuele wederpartij, zolang haar opdracht niet de grenzen te buiten gaat van wat men van een eigenaar van de zaak in het algemeen mag verwachten, en anderzijds op het belang van alle eigenaren gezamenlijk dat overeenkomsten van de hier bedoelde aard door de opdrachtnemer vlot en zonder risico kunnen worden gesloten (vgl. NvW II, Parl. Gesch. Boek 3, blz. 887). De strekking van deze bepaling is dat het retentierecht jegens een derde met een ouder recht alleen kan worden uitgeoefend als er een (voldoende) verband bestaat tussen de vordering van de schuldeiser en de zaak die het betreft. Uit het vorenoverwogene volgt dat in dit geval, waarin een (raam)overeenkomst is aangegaan met betrekking tot soortzaken die in eigendom toebehoren aan een aantal (rechts)personen, het retentierecht tegenover derden met een ouder recht alleen kan worden uitgeoefend voor zover het gaat om zaken waarop de vordering betrekking heeft en niet op andere zaken die onder de overeenkomst vallen. De eigenaren van deze laatste zaken behoeven in het maatschappelijk verkeer geen rekening ermee te houden dat hun zaken zullen worden gebruikt voor het verhaal van vorderingen die betrekking hebben op andere opgeslagen of gerepareerde zaken. Van degene die zaken van anderen, ter bewaring of reparatie, onder zich krijgt mag worden verwacht dat hij ermee rekening houdt dat deze zaken aan anderen dan zijn contractuele wederpartij kunnen toebehoren en dat hij met het oog op die mogelijkheid een deugdelijke registratie bijhoudt van de per zaak verrichte werkzaamheden.

3.5.2 Het voorgaande brengt mee dat de klacht onder A faalt, die het hof - dat is uitgegaan van hetgeen hiervoor in 3.5.1 is vermeld - verwijt dat het ten onrechte bij de beoordeling van het door VGC ingeroepen retentierecht heeft aangenomen, dat art. 3:291 lid 2 BW beoogt het retentierecht uit te sluiten voor zover het betrekking heeft op eerdere vorderingen uit dezelfde overeenkomst. De klacht onder B mist feitelijke grondslag, nu het hof, anders dan de klacht veronderstelt, niet is uitgegaan van de in het middel onder A vermelde rechtsopvatting. De klacht onder B kan derhalve niet tot cassatie leiden.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt VGC in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van GE SEACO begroot op € 301,34 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, D.H. Beukenhorst, A. Hammerstein en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 5 maart 2004.