Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AO0969

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-03-2004
Datum publicatie
12-03-2004
Zaaknummer
C02/224HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AO0969
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

12 maart 2004 Eerste Kamer Nr. C02/224HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: de rechtspersoon naar Frans recht PTC S.A., gevestigd te Pantin, Frankrijk, EISERES tot cassatie, voorwaardelijk incidenteel verweerster, advocaat: mr. W. Taekema, t e g e n 1. DIESEKO VERHUUR B.V., 2. DIESEKO PARTS & SERVICES B.V., 3. PILING AND VIBRO EQUIPMENT B.V., alle gevestigd te Sliedrecht, VERWEERSTERS in cassatie, voorwaardelijk incidenteel eiseressen, advocaat: mr. G. Snijders. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien (Europees Octrooiverdrag), München, 05-10-1973 69
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 407
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 134
JWB 2004/98
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 maart 2004

Eerste Kamer

Nr. C02/224HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

de rechtspersoon naar Frans recht PTC S.A.,

gevestigd te Pantin, Frankrijk,

EISERES tot cassatie, voorwaardelijk

incidenteel verweerster,

advocaat: mr. W. Taekema,

t e g e n

1. DIESEKO VERHUUR B.V.,

2. DIESEKO PARTS & SERVICES B.V.,

3. PILING AND VIBRO EQUIPMENT B.V.,

alle gevestigd te Sliedrecht,

VERWEERSTERS in cassatie, voorwaardelijk

incidenteel eiseressen,

advocaat: mr. G. Snijders.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: PTC - heeft bij exploot van 10 maart 1999 verweersters in cassatie - verder te noemen: Dieseko c.s. - op verkorte termijn gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I Dieseko c.s. te veroordelen om binnen drie werkdagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis de in het lichaam van deze dagvaarding genoemde inbreuk op de octrooirechten van PTC te staken en gestaakt te houden, het een en ander primair zonder enige territoriale restrictie en derhalve voor alle landen als gedesigneerd in het Europees octrooi althans subsidiair voor alle landen welke Uw Rechtbank in goede justitie redelijk oordeelt;

II Dieseko c.s. het direct en/of indirect deelnemen in, het direct en/of indirect beheren van, dan wel elke andere vorm van directe en/of indirecte betrokkenheid bij een onderneming die inbreuk maakt op het Europees octrooi nr. 0 524 056 te verbieden;

III Dieseko c.s. te veroordelen om binnen zeven werkdagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis aan de advocaat van PTC schriftelijk en gedetailleerd opgave te hebben gedaan van alle bij Dieseko c.s. aanwezige inrichtingen waarmee inbreuk wordt gemaakt op de aan PTC toekomende octrooirechten.

IV Dieseko c.s. te veroordelen om binnen zeven werkdagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis schriftelijk en gedetailleerd aan de advocaat van PTC opgave te hebben gedaan van de hoeveelheid van de door hen verkochte en geleverde inrichtingen die inbreuk maken op de aan PTC toebehorende octrooirechten, alsmede van de namen en adressen van al hun afnemers die van Dieseko c.s. inbreukmakende inrichtingen hebben betrokken;

V Dieseko c.s. te veroordelen om te dulden medewerking te verlenen en verder alles te doen en na te laten wat nodig is om een door PTC aan te wijzen registeraccountant binnen tien werkdagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis op kosten van Dieseko c.s. te laten controleren of aan het sub I tot en met IV van dit petitum volledig en tijdig gevolg is gegeven;

VI Dieseko c.s. te veroordelen om ten titel van dwangsom aan PTC te betalen een bedrag van NLG 100.000,- per overtreding van een van de hiervoor sub I tot en met IV genoemde bevelen dan wel, naar keuze van PTC voor iedere dag - een gedeelte van een dag daaronder begrepen - dat Dieseko c.s. in strijd met een van de bovengenoemde bevelen handelen;

VII Dieseko c.s. te veroordelen om aan PTC af te dragen de door de octrooi-inbreuk genoten bruto althans netto winst, dan wel - voorzover dit tot een hoger bedrag leidt - Dieseko c.s. te veroordelen tot betaling aan PTC van een schadevergoeding voorlopig begroot op NLG 500.000,-- althans een zodanige schadevergoeding die de rechtbank rechtvaardig acht, vermeerderd met de wettelijke rente over het toe te wijzen bedrag vanaf 14 juli 1997, dan wel de dag der dagvaarding, tot die der algehele voldoening, alsmede over de door de octrooi-inbreuk genoten winst rekening en verantwoording af te leggen;

VIII Dieseko c.s. te veroordelen om aan PTC te vergoeden de door PTC (voorafgaand aan dit geding) gemaakte kosten van rechtsbijstand, in totaal voorlopig begroot op NLG 20.0000,--, althans op een door de rechtbank vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente over het toe te wijzen bedrag vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

IX Dieseko c.s. te veroordelen in de kosten van dit geding.

Dieseko c.s. hebben de vorderingen bestreden en voorwaardelijk in reconventie gevorderd:

1. het Nederlandse deel van Europees octrooi EP 0 524 056 B1 te vernietigen en

2. PTC, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling aan Dieseko, althans Dieseko Verhuur van een bedrag van ƒ 30.546,02, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 29 juni 1999 tot aan die der algehele voldoening.

PTC heeft in voorwaardelijke reconventie de vorderingen bestreden.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 8 december 1999 in conventie de zaak naar de rol verwezen voor akte aan de zijde van PTC en in conventie en in reconventie iedere verdere beslissing aangehouden.

Tegen dit vonnis hebben Dieseko c.s. hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij memorie van antwoord heeft PTC haar eis gewijzigd en vermeerderd met een aantal provisionele vorderingen zoals in de memorie is vermeld.

Bij arrest van 23 mei 2002 heeft het hof het vonnis waarvan beroep, voor zover in conventie gewezen, vernietigd en in zoverre opnieuw rechtdoende de vordering van PTC afgewezen en het vonnis, voor zover in reconventie gewezen, bekrachtigd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft PTC beroep in cassatie ingesteld. Dieseko c.s. hebben voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende het voorwaardelijk incidenteel beroep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Voor de feiten waarvan in cassatie kan worden uitgegaan, verwijst de Hoge Raad naar rov. 1 van het hof. Het gaat hier om het Europees octrooi 0 524 056 B1, dat is verleend op een aanvrage van 8 juli 1992 met prioriteitsdatum 15 juli 1991 voor een "vibrateur à moment variable utilisable notamment à l'enfoncement d'objets dans le sol" (trilinrichting met een variabel moment die bruikbaar is voor het in de grond drijven van voorwerpen). De vibrateur/trilinrichting kan worden gebruikt voor het in de grond drijven van voorwerpen als heipalen of damwanden. PTC (Procédés Techniques de Construction) is houdster van het octrooi. Dieseko Verhuur B.V. houdt zich bezig met de productie, verkoop en verhuur van onder meer trilinrichtingen met variabel moment. PTC en Dieseko verschillen van mening over de beschermingsomvang van het aan PTC verleende Europees octrooi voor de vibrateur.

3.2 PTC heeft gesteld dat Dieseko c.s. inbreuk maken op haar octrooi en heeft gevorderd, zakelijk weergegeven, Dieseko c.s. te veroordelen de inbreuk op het Europees octrooi 0 524 056 te staken en gestaakt te houden en hen te verbieden betrokken te zijn bij directe of indirecte octrooi-inbreuk, met nevenvorderingen, alles op straffe van een dwangsom, en voorts haar te veroordelen tot betaling van schadevergoeding en/of tot winstafdracht; dit een en ander zoals in 1 weergegeven.

Dieseko c.s. hebben een voorwaardelijk reconventionele vordering ingesteld, zoals in 1 eveneens is weergegeven, samengevat neerkomend op een vordering tot nietigverklaring van bedoeld Europees octrooi van PTC en van schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen door PTC.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis geoordeeld dat voor de gemiddelde vakman, ook na bestudering van de beschrijving en de tekeningen, voor redelijke twijfel vatbaar is hoe conclusie 1 moet worden uitgelegd, heeft PTC verzocht het complete verleningsdossier alsnog in het geding te brengen en heeft tot dat doel in conventie de zaak naar de rol verwezen en in conventie en in reconventie iedere verdere beslissing aangehouden.

In het door Dieseko c.s. tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep heeft het hof het vonnis van de rechtbank, voorzover in conventie gewezen, vernietigd en de vordering van PTC afgewezen. Het hof heeft voorts het vonnis voorzover in reconventie gewezen bekrachtigd en het geding in reconventie naar de rechtbank verwezen.

3.3 Bij de beoordeling van het middel dient te worden vooropgesteld dat het - terecht - niet klaagt over de door het hof, blijkens rov. 7, bij de uitleg van het octrooi gehanteerde maatstaf, zoals die nader is uitgewerkt in het arrest HR 13 januari 1995, nr. 15564, NJ 1995, 391 (Ciba-Geigy/Oté). In dat arrest is onder meer beslist dat de achter de bewoordingen van de conclusies gelegen uitvindingsgedachte een gezichtspunt is dat, ingevolge art. 69 EOV en het daarbij behorende Uitlegprotocol, bij de uitleg van het octrooi dient te worden betrokken, evenals, anderzijds, de redelijke rechtszekerheid voor derden.

3.4.1 Onderdeel I klaagt in de eerste plaats dat het hof ten onrechte heeft verzuimd in zijn onderzoek of de inrichting van Dieseko inbreuk maakt op het octrooi van PTC, de achter de bewoordingen van de conclusies liggende uitvindingsgedachte te betrekken, althans onvoldoende heeft gemotiveerd welke rol die uitvindingsgedachte in zijn beslissing heeft gespeeld, terwijl PTC daarop uitdrukkelijk een beroep had gedaan.

In rov. 8 heeft het hof omschreven op welke inrichting het octrooi betrekking heeft (daarbij een vertaling van de aanhef van conclusie 1 gevend), namelijk "een trilinrichting met tenminste twee stellen excentrische gewichten, waarbij elk stel tenminste twee gewichten bevat, die roteerbaar zijn bevestigd op assen, voorzien van in elkaar grijpende tandwielen, zodat in bedrijf de assen en de gewichten daarop in onderling tegengestelde richting draaien. Voor het aandrijven dient een aandrijfmechanisme met een eerste motor en een transmissie-inrichting, voorzien van een fasever-schuiver". Het hof heeft overwogen welke problemen volgens de beschrijving van het octrooi in de stand van de techniek bestonden (rov. 9 en 10) en geoordeeld dat het doel van het octrooi is de nadelen van de bekende inrichtingen (dus zowel die van de trilinrichting volgens het in 's hofs rov. 9 genoemde Amerikaanse octrooi als die van de trilinrichtingen volgens de in 's hofs rov. 10 genoemde octrooiaanvragen) te vermijden door bij de trilinrichting, als omschreven in de aanhef van conclusie 1, de maatregelen volgens het kenmerkende deel van conclusie 1 toe te passen (rov. 11) en heeft daarmee de uitvindingsgedachte uitdrukkelijk in zijn oordeel betrokken. Bij zijn uitleg van de woorden "distinct de" in rov. 14 verwijst het hof naar deze in genoemde rechtsoverwegingen tot uitdrukking gebrachte uitvindingsgedachte en geeft daarmee blijk dat het het doel van de geoctrooieerde uitvinding in zijn beoordeling heeft betrokken. Voorts heeft het hof bij zijn beoordeling van de beschermingsomvang de uitvindingsgedachte betrokken door de vraag of de inrichting van Dieseko een equivalente uitvoeringsvorm van het octrooi is, ontkennend te beantwoorden en wel omdat de inrichting van Dieseko niet het door het octrooi van PTC gestelde probleem zou oplossen (rov. 19). De klacht kan derhalve gelet op dit een en ander bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

3.4.2 Onderdeel I klaagt voorts dat PTC uitdrukkelijk had gesteld dat het wezenlijke van de uitvinding (en derhalve de uitvindingsgedachte) is gelegen in de constructie van de faseverschuiver (het tweede deelkenmerk) en niet in de plaats van de faseverschuiver (het eerste deelkenmerk) en dat het hof in dit verband ten onrechte aan een aantal stellingen was voorbijgegaan.

Het hof heeft het eerste deelkenmerk van het octrooi, de wijze van koppeling van de eerste motor (H1) aan de twee stellen excentrische gewichten (waarbij de koppeling van de eerste motor aan het eerste stel gewichten geschiedt door tussenkomst van een eerste tandwielstelsel (pignonnerie P1) en de koppeling aan het tweede stel gewichten geschiedt door tussenkomst van een transmissie-inrichting, die de faseverschuiver omvat en die "distinct" is van het eerste tandwielstelsel) en het tweede deelkenmerk van het octrooi, de constructie van de faseverschuiver, onderscheiden (rov. 12) en heeft geoordeeld dat het wezenlijke van de uitvinding gelegen is in - kort gezegd - de plaats van de faseverschuiver, waardoor deze niet rechtstreeks op de tandwielen van de gewichtenstelsels aangrijpt, maar deel uitmaakt van een daarvan onderscheiden transmissie-inrichting.

Het hof heeft, gelet op het vorenoverwogene, de desbetreffende stellingen van PTC niet miskend of gepasseerd doch (kennelijk) verworpen. De klacht kan derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

3.5.1 Het eerste deelkenmerk van conclusie 1 van het octrooi luidt dat de vibrateur "caractérisé en ce que le premier moteur (H1) est couplé au premier train (2) de masselottes (M) par l'intermédiaire d'une première pignonnerie (P1) et au deuxième train (1) par l'intermédiaire d'un dispositif de transmission (P2-P6) distinct de la première pignonnerie (P1) et incluant ledit déphaseur (7) (...)". Het hof heeft in rov. 14 geoordeeld dat de woorden "distinct de" in de conclusie, mede gezien het door het hof daarvoor overwogene ("mede gezien het vorenstaande"), aangeven, dat de pignonnerie (tandwielstelsel) P1 niet deel uitmaakt van de transmissie-inrichting, die de faseverschuiver omvat, aangezien naar zijn oordeel niet gezegd kan worden, dat "verschillend van" of "zich onderscheidend van" mede kan betekenen "deel uitmakend van", zoals PTC heeft betoogd. Het hof heeft geoordeeld dat gezien de betekenis van de woorden "distinct de" in conclusie 1 van het octrooi van PTC, de trilinrichting van Dieseko c.s. niet letterlijk voldoet aan de omschrijving van conclusie 1, zelfs al zou worden aangenomen, dat de faseverschuiver van die trilinrichting voldoet aan de omschrijving in het tweede deel van conclusie 1, hetgeen PTC heeft gesteld doch Dieseko c.s. in hoger beroep betwisten (rov. 18).

3.5.2 Het hof heeft met zijn verwijzing in rov. 14 "mede gezien het vorenstaande" klaarblijkelijk het oog op de rechtsoverwegingen 9 tot en met 13. De eerste klacht van onderdeel II, dat onvoldoende begrijpelijk is waarnaar het hof verwijst, faalt derhalve. Voorzover de klacht tevens inhoudt dat onvoldoende duidelijk is waarom dat "vorenstaande" de uitleg van de woorden "distinct de" ondersteunt, voldoet de klacht niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv., omdat zij niet aangeeft waarom dat onvoldoende duidelijk is.

3.5.3 De tweede klacht van onderdeel II gaat uit van de veronderstelling dat met "het vorenstaande" bedoeld wordt hetgeen het hof in rov. 13 overweegt en kan, gelet op hetgeen in 3.5.2 is overwogen, bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Daarbij zij aangetekend dat de uitleg die het hof van de woorden "distinct de" in rov. 13 geeft, feitelijk is en niet onbegrijpelijk.

3.5.4 Onderdeel II klaagt ten derde dat het hof een (overigens onbegrijpelijke) grammaticale uitleg aan de woorden "distinct de" in de conclusie geeft doch een uitleg had behoren te geven in het licht van de beschrijving en de tekeningen en, voorzover daarna nog onduidelijkheid bestond, het verleningsdossier.

Gelet op rov. 14 waaruit blijkt dat het hof de door het onderdeel bepleite wijze van uitleg heeft gevolgd, kan ook deze klacht wegens gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Hierbij verdient aantekening dat, gelet op rov. 20, het hof van oordeel was dat geen onduidelijkheid over de uitleg van de conclusie bestond, derhalve ook niet met betrekking tot de woorden "distinct de".

3.5.5 De vierde klacht van onderdeel II houdt in dat de uitleg door het hof van de woorden "distinct de" onbegrijpelijk is nu (het een feit van algemene bekendheid is dat) "verschillend van" of "zich onderscheidend van" wel degelijk mede kan betekenen "deel uitmakend van".

De klacht berust op een verkeerde lezing van de desbetreffende rechtsoverweging en mist derhalve eveneens feitelijke grondslag. Het hof heeft met de door hem gegeven uitleg van de woorden "distinct de" een op het onderhavige geval toegespitst oordeel gegeven en niet - zoals de klacht aanvoert - in algemene termen geoordeeld. Het hof heeft als zingevende uitleg van de woorden "distinct de" een uitleg gegeven, die inhoudt dat het tandwielstelsel P1 geen deel uitmaakt van de transmissie-inrichting, waarvan de faseverschuiver onderdeel uitmaakt.

3.5.6 De vijfde klacht van onderdeel II is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 14 dat de door hem gegeven uitleg van de woorden "distinct de" wordt ondersteund door de beschrijving van de tekeningen van het octrooi en dat de door PTC bepleite uitleg van deze woorden daarin geen steun vindt. De klacht luidt in de eerste plaats dat de verwijzing naar de in het octrooi gegeven uitvoeringsvoorbeelden tekortschiet, nu het om voorbeelden gaat en derhalve ook andere, het standpunt van PTC ondersteunende, uitvoeringsvoorbeelden mogelijk zijn. Het hof heeft echter de uitvoeringsvoorbeelden alleen als zijn uitleg ondersteunende argumenten gebruikt. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en behoeft geen nadere motivering.

Voorzover de klacht gericht is tegen de laatste volzin van rov. 14, behoeft zij geen behandeling nu deze zin een ten overvloede gegeven overweging bevat.

Voorzover de klacht ervan uitgaat dat de in dit onderdeel aangevallen overwegingen de enige overwegingen zijn die het hof bij zijn uitleg van de woorden "distinct de" aan de beschrijving van conclusie 1 wijdt, faalt zij om de in 3.5.2 gegeven reden.

De klacht ten slotte dat in de uitleg van het hof geen trilinrichting kan bestaan die wel onder conclusie 1 valt doch niet onder de conclusie(s) 2 en/of 3, voldoet, nu enige toelichting ontbreekt, niet aan de eisen die ingevolge art. 407 lid 2 Rv. aan een cassatiemiddel moeten worden gesteld.

3.5.7 De zesde klacht van onderdeel II houdt in dat het oordeel in rov. 14 dat de plaats van de faseverschuiver volgens het octrooi ook dezelfde kan zijn als die in het Amerikaanse octrooischrift (zie hiervoor 3.4.1), onbegrijpelijk is, nu deze uitleg enerzijds meebrengt dat de Dieseko trilinrichting geen letterlijke inbreuk maakt, omdat er bij Dieseko geen sprake is van een "distinct de" in de zin waarin het hof deze woorden uitlegt, terwijl anderzijds ten processe vaststaat dat de trilinrichting van Dieseko wat betreft het eerste deel van de conclusie (het deel waarin "distinct de" voorkomt) gelijk is aan de inrichting van het Amerikaanse octrooischrift 3.564.932.

De klacht faalt nu zij miskent dat in de redenering van het hof niet de plaats van de faseverschuiver ten opzichte van de motoren en gewichten (zoals bij de trilinrichting van Dieseko en het Amerikaanse octrooi) relevant is, maar de (indirecte) koppeling van de faseverschuiver in de zin dat deze deel uitmaakt van een afzonderlijke transmissie-inrichting die niet rechtstreeks is gekoppeld aan de tandwielen die de gewichten aandrijven.

3.5.8 In rov. 15 heeft het hof geoordeeld dat de uitleg die volgens hem aan de woorden "distinct de" gegeven wordt, ook steun vindt in de eerste conclusie van de oorspronkelijke octrooiaanvrage (EP 0.524.056 A1) van PTC.

De zevende klacht van onderdeel II acht dit oordeel zonder verdere uitleg onbegrijpelijk. De klacht faalt nu dit oordeel feitelijk is en niet onbegrijpelijk. Het oordeel behoeft geen nadere motivering.

3.5.9 In rov. 17 heeft het hof geoordeeld dat bij zijn uitleg van de woorden "distinct de" geen sprake is van een weginterpreteren van deelkenmerken, noch van een ongeoorloofde uitbreiding van de beschermingsomvang.

De achtste klacht van onderdeel II houdt in dat dit oordeel niet voldoende begrijpelijk is gemotiveerd, nu PTC uitdrukkelijk heeft verdedigd dat ook bij de door haar voorgestane uitleg geen sprake was van het weginterpreteren van een deelkenmerk of van een uitbreiding van de beschermingsomvang. Met dit oordeel heeft het hof echter niet gerespondeerd op de desbetreffende stellingen van PTC doch slechts tot uitdrukking gebracht dat in zijn in rov. 14 neergelegde uitleg van een weginterpreteren van deelkenmerken of van een ongeoorloofde uitbreiding van de beschermingsomvang geen sprake is. Hierop stuit de achtste klacht van onderdeel II af.

3.5.10 In rov. 17 heeft het hof nog in aanmerking genomen dat het, mede gezien de (dichte) stand van de techniek, hier geen pioniersuitvinding betreft.

In rov. 3.3.1 van zijn arrest van 13 januari 1995 (Ciba-Geigy/Oté) heeft de Hoge Raad overwogen dat de rechter bij zijn beoordeling van de beschermingsomvang van een octrooi tegen de achtergrond van de gezichtspunten van enerzijds een redelijke bescherming van de octrooihouder en anderzijds een redelijke rechtszekerheid voor derden rekening dient te houden "met de aard van het concrete geval, waaronder ook de mate waarin de geoctrooieerde uitvinding vernieuwing heeft gebracht". Het hof heeft dit laatste tot uitdrukking gebracht door te oordelen dat het hier geen pioniersuitvinding betreft en heeft daarmee derhalve geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Voor het overige is dit een feitelijk oordeel, dat niet onbegrijpelijk is. De hiertegen gerichte negende klacht van onderdeel II faalt evenzo.

3.6 In rov. 19 heeft het hof geoordeeld dat bij de trilinrichting van Dieseko c.s. geen sprake is van equivalentie. Het hof heeft voor dit oordeel drie redenen gegeven, die het oordeel elk zelfstandig kunnen dragen. De derde door het hof gegeven reden is dat PTC bij pleidooi heeft toegegeven, dat Dieseko c.s. de stand der techniek volgt, voorzover het betreft het eerste deel van conclusie 1. De stand van de techniek kan, aldus het hof, niet een equivalent van de geoctrooieerde uitvinding zijn.

Onderdeel IIIC is gericht tegen de derde reden en klaagt in de eerste plaats dat dit oordeel onbegrijpelijk is, omdat een deel van de conclusie (in dit geval het eerste deel van de conclusie) niet gelijkgesteld kan worden met de geoctrooieerde uitvinding, temeer nu volgens PTC de uitvinding in het tweede gedeelte van de conclusie, te weten: in de constructie van de nieuwe faseverschuiver, is gelegen. Zoals echter uit 3.4.2 volgt, heeft het hof geoordeeld dat de uitvinding is gelegen in de plaats van de faseverschuiver. Dit oordeel is feitelijk, niet onbegrijpelijk en niet onvoldoende gemotiveerd. Daarop stuit deze klacht af.

Het onderdeel klaagt voorts dat het hof heeft miskend dat ook het navolgen van een combinatie van deelkenmerken waarvan één of enkele reeds bekend zijn, een (equivalente) inbreuk kan opleveren. Voorzover de klacht ervan uitgaat dat het hof heeft geoordeeld dat Dieseko c.s. ter zake van het eerste deelkenmerk de stand der techniek volgen, berust zij op een onjuiste lezing: het hof heeft geoordeeld dat Dieseko c.s. de stand der techniek volgen voorzover het betreft de in het eerste deel van conclusie 1 verwerkte figuur 8 van het Amerikaanse octrooi en dus niet wat betreft het eerste deelkenmerk. Het hof heeft juist vanwege het ontbreken van dit voor de probleemoplossing (ook van de nadelen van het Amerikaanse octrooi) relevante eerste deelkenmerk in de trilinrichting van Dieseko c.s. geoordeeld dat het beroep op (letterlijke of) equivalente inbreuk moest worden afgewezen. Dit oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk. Onderdeel IIIC faalt derhalve in zijn geheel.

De klachten van de onderdelen IIIA en IIIB behoeven, nu onderdeel IIIC faalt, geen behandeling.

3.7 Onderdeel IV klaagt over de afwijzing door het hof van het beroep op inbreuk op conclusie 3, nu iedere (gemotiveerde) beslissing omtrent de door PTC gestelde inbreuk op conclusie 3 ontbreekt en het hof daardoor onvoldoende begrijpelijk heeft geoordeeld.

Het hof heeft de gestelde (letterlijke of equivalente) inbreuk afgewezen op de grond dat de inrichting van Dieseko c.s. niet aan het eerste deelkenmerk van de hoofdconclusie (conclusie 1) voldeed en heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat evenmin sprake was van inbreuk op conclusie 3, die immers eveneens uitgaat van een trilinrichting overeenkomstig conclusie 1, zodat die conclusie hetzelfde deelkenmerk bevat. De klacht faalt derhalve.

3.8 In rov. 20 heeft het hof geoordeeld, samengevat, dat "geen gebruik behoeft te worden gemaakt van mogelijkerwijze verhelderende gegevens uit het openbare deel van het verleningsdossier".

Onderdeel V dat tegen deze rechtsoverweging is gericht, behoeft geen behandeling voorzover het voortbouwt op de onderdelen II en III. Voorzover het onderdeel klaagt dat het oordeel onjuist en onbegrijpelijk is omdat het hof zelf wel in rov. 15 ten nadele van PTC het verleningsdossier bij de uitleg van het octrooi gebruikt, miskent het dat het hof in rov. 14, "mede gezien het vorenstaande", tot een oordeel over de uitleg van het eerste deelkenmerk was gekomen en in rov. 15 slechts - ten overvloede - heeft overwogen dat deze uitleg nog wordt bevestigd in de - door PTC zelf overgelegde - oorspronkelijke octrooiaanvraag. Reeds daarom faalt het onderdeel.

3.9 Nu het principale middel niet tot cassatie leidt, behoeft het voorwaardelijk incidentele middel geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het principale beroep;

veroordeelt PTC in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Dieseko c.s. begroot op € 4.607,27 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, A.M.J. van Buchem-Spapens, P.C. Kop en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 12 maart 2004.