Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AN9941

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-01-2004
Datum publicatie
03-05-2004
Zaaknummer
00823/03
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AN9941
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 268 lid 2 (oud) Sv; toepassing in hoger beroep. Het onderzoek ter terechtzitting lijdt aan nietigheid nu een van de raadsheren in een van de aan de beoordeling van het hof onderworpen gevoegde zaken enig onderzoek heeft verricht als R-C.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 268
Wetboek van Strafvordering 415
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2004, 94
NBSTRAF 2004/94

Uitspraak

27 januari 2004

Strafkamer

nr. 00823/03

AGJ/IV

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 14 oktober 2002, nummer 20/000834-01, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep bevestigd een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 7 februari 2001, waarbij de verdachte ter zake van (parketnummer 01/045114-00) 1. "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd" en 2. "smaad, meermalen gepleegd" en (parketnummer 01/046073-01) "bedreiging met zware mishandeling" is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 95 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.W. Weehuizen, advocaat te 's-Hertogenbosch, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en de zaak zal verwijzen naar een aangrenzend Gerechtshof opdat deze op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, naar aanleiding waarvan de bestreden uitspraak is gedaan, nietig is. Daartoe wordt aangevoerd dat in strijd met art. 268, tweede lid, (oud) Sv aan het onderzoek ter terechtzitting is deelgenomen door een raadsheer die voordien enig onderzoek in de zaak heeft verricht als Rechter-Commissaris.

3.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 30 september 2002 houdt in dat de raadsheer mr. Van de Loo in hoger beroep heeft deelgenomen aan het onderzoek ter terechtzitting naar aanleiding waarvan het bestreden arrest is gewezen.

3.3. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich tevens een map met stukken betreffende het gerechtelijk vooronderzoek in de zaak met parketnummer 01/045114-00, waarop het onderhavige arrest mede betrekking heeft. Die map bevat onder meer stukken waaruit blijkt dat mr. Van de Loo als Rechter-Commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de Rechtbank, enig onderzoek in de onderhavige strafzaak tegen de verdachte heeft verricht.

3.4. Art. 268 (oud) Sv is ingevolge art. 415 Sv van overeenkomstige toepassing op het geding in hoger beroep. Overtreding van eerstgenoemd voorschrift is met nietigheid bedreigd (vgl. HR 23 september 1997, NJ 1998, 188). Dat brengt mee dat, nu in dit geval een van de raadsheren die heeft deelgenomen aan het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep naar aanleiding waarvan het bestreden arrest is gewezen, in een van de aan de beoordeling van het Hof onderworpen gevoegde zaken enig onderzoek heeft verricht in zijn hoedanigheid van Rechter-Commissaris, het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep aan nietigheid lijdt.

3.5. Het middel is dus terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist:

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak;

Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 27 januari 2004.