Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AN9690

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-02-2004
Datum publicatie
27-02-2004
Zaaknummer
R03/034HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AN9690
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

27 februari 2004 Eerste Kamer Rek.nr. R03/034HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De man], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand, t e g e n [De vrouw], wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. P. Garretsen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 107
NJ 2004, 283 met annotatie van S.F.M. Wortmann
RvdW 2004, 40
JWB 2004/74
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

27 februari 2004

Eerste Kamer

Rek.nr. R03/034HR

JMH/AT

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De man],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand,

t e g e n

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 21 september 2001 ter griffie van de rechtbank te Zutphen ingekomen verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - zich gewend tot die rechtbank en verzocht het vaderschap van verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de man - als vader van de minderjarige [de dochter], geboren op [geboortedatum] 2001, vast te stellen en de man te veroordelen tot betaling van een bedrag van ƒ 1.000,-- per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, althans tot betaling van een zodanig bedrag als de rechtbank naar redelijkheid zal vermenen te behoren.

Bij beschikking van 24 september 2001 heeft de rechtbank een daarin genoemde advocaat tot bijzonder curator over voornoemde minderjarige benoemd.

De man heeft het verzoek bestreden en de rechtbank verzocht:

primair: het verzoek van de vrouw af te wijzen, tenzij uit een te bevelen onderzoek zijn vaderschap mocht blijken;

subsidiair: de vrouw in haar verzoek tot vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige niet-ontvankelijk te verklaren, althans dat verzoek af te wijzen, en

meer subsidiair: een bijdrage te zijnen laste te bepalen met inachtneming van het levensniveau van de vrouw, nu er sprake is van een onwettig niet-erkend kind, met wie hij geen omgang heeft of wenst, dan wel een zodanig bedrag vast te stellen als de rechtbank juist acht.

De rechtbank heeft bij tussenbeschikking van 25 oktober 2001 een DNA-onderzoek gelast en betrokkenen bevolen hun medewerking aan het onderzoek te verlenen. Bij eindbeschikking van 14 maart 2002 heeft de rechtbank de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige vastgesteld op € 453,78 per maand.

Tegen deze eindbeschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem. De vrouw heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij beschikking van 3 december 2002 heeft het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel beroep, de bestreden beschikking vernietigd en, opnieuw rechtdoende, bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van 1 oktober 2001 € 363,-- per maand en met ingang van 1 februari 2002 € 393,-- per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige zal betalen.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vrouw heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Het gaat in cassatie om het volgende.

Partijen hebben een relatie gehad. Uit de vrouw is op [geboortedatum] 2001 [de dochter] (hierna: [de dochter]) geboren. De vrouw oefent van rechtswege het gezag over [de dochter] uit. Partijen hebben nimmer een gezin met [de dochter] gevormd.

Ten verzoeke van de vrouw heeft de rechtbank op de voet van art. 1:207 BW vastgesteld dat de man de vader van [de dochter] is. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de dochter] een bedrag van € 453,78 per maand aan de vrouw zal voldoen.

Het hof heeft deze laatste beslissing vernietigd en de door de man voor [de dochter] te betalen alimentatie vastgesteld op € 363,-- per maand met ingang van 1 oktober 2001 en op € 393,-- per maand met ingang van 1 februari 2002.

Voor de beoordeling van het middel is voorts nog van belang dat, naar het hof heeft vastgesteld in rov. 3.6, de vrouw met [de dochter] en het uit een eerder huwelijk met een andere man op [geboortedatum] 1992 geboren kind [betrokkene 1] een gezin vormt en dat de vader van [betrokkene 1] een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [betrokkene 1] betaalt van € 225,-- per maand.

3.2 Het middel bestrijdt de beslissingen die het hof in rov. 4.2 en 4.3 heeft gegeven ten aanzien van de behoefte van [de dochter] aan alimentatie.

3.3 Het hof heeft terecht geoordeeld dat het feit dat de vader nimmer met de moeder en het kind in gezinsverband heeft samengeleefd, niet eraan in de weg staat dat bij de bepaling van de behoefte van het kind de financiële middelen van de vader mede in aanmerking moeten worden genomen. Aan het wettelijke systeem ligt immers het uitgangspunt ten grondslag dat zowel de vader als de moeder aan de verzorging en opvoeding van het kind moet bijdragen. Aan dit uitgangspunt zou - naar het hof kennelijk en met juistheid heeft overwogen - tekort worden gedaan, indien voor de bepaling van de behoefte van het kind slechts de kosten in aanmerking zouden worden genomen, die de moeder voor haar heeft gemaakt in een periode waarin zij nog niet kon beschikken over een door de vader betaalde bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van het kind.

Het hof is voor de bepaling van de behoefte van [de dochter] ervan uitgegaan dat de man in beginsel moet bijdragen in de kosten van het kind met een bedrag dat hij aan het kind zou besteden als dit in zijn gezin zou opgroeien. Daarbij is het hof kennelijk (vgl. rov. 4.4-4.8) ervan uitgegaan dat gezien de beperkte financiële middelen waarover de moeder beschikt, deze middelen in dit verband buiten beschouwing moesten worden gelaten.

Voorzover het middel van een andere lezing van de beschikking van het hof uitgaat, mist het feitelijke grondslag. Voor het overige faalt het omdat dit oordeel, sterk verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst, niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk of onvoldoende is gemotiveerd.

Wel betoogt het middel met juistheid dat, indien de gezinssituatie waarin [de dochter] verkeert, ertoe leidt dat bepaalde kosten niet voor haar worden gemaakt, terwijl zij in de door het hof fictief aangenomen opvoedingssituatie in het gezin van de vader waarschijnlijk wel zouden zijn gemaakt, deze bij de bepaling van de behoefte niet mogen worden meegerekend. Het gaat in deze zaak echter om een eerste alimentatiebepaling. De omvang van de voor [de dochter] gemaakte kosten is derhalve in het verleden uitsluitend bepaald door wat de vrouw aan haar heeft besteed zonder nog over een bijdrage van de man te kunnen beschikken. Het hof is daarom niet getreden in een onderzoek van de daadwerkelijk voor [de dochter] gemaakte kosten, maar heeft volstaan met een globale begroting van de behoefte van een kind in de door het hof aangenomen uitgangssituatie, waarbij het hof kennelijk is uitgegaan van de zogenaamde Trema-normen. Deze benadering is niet onjuist. In het middel wordt ook geen beroep gedaan op stellingen in de gedingstukken in het licht waarvan de betrokken overwegingen van het hof onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd zouden zijn.

Op het vorenoverwogene stuiten alle klachten van de onderdelen 2.1-2.3.5 (onderdeel 1 bevat geen klacht) en 2.5 af.

3.4 Het hof heeft in rov. 4.3 onder meer overwogen dat het niet zonder belang is dat [de dochter] feitelijk opgroeit in het gezin van de vrouw waartoe ook [betrokkene 1] behoort, omdat dit vanwege het schaalvoordeel in het algemeen tot enige kostenbesparing leidt, ook als de kinderen van verschillend geslacht zijn. Het hof is daarom voor de bepaling van de behoefte van [de dochter] niet alleen uitgegaan van het inkomen van de man, maar heeft tevens rekening gehouden met de tabel voor twee kinderen. Gelet op de hoogte van het besteedbare inkomen van de man zou, aldus nog steeds het hof, de behoefte van [de dochter] en [betrokkene 1] samen ten minste ƒ 1.400,-- per maand bedragen "en stelt het hof de behoefte van [de dochter], rekening houdend met de ontvangen bijdrage voor [betrokkene 1], vast op een bedrag van ƒ 900,-- per maand".

Het middel klaagt in de onderdelen 2.4-2.4.3 terecht dat onbegrijpelijk is waarom in dezelfde - hypothetisch aangenomen - gezinssituatie de behoefte van een kind in zijn eerste jaar op ƒ 900,-- en die van een kind van 8-9 jaar op slechts ƒ 500,-- zou moeten worden gesteld, alhoewel, naar van algemene bekendheid is, de kosten van verzorging en opvoeding van een kind van 8-9 jaar in het algemeen hoger zijn dan die van een kind van nog geen jaar. Het beroep op de omstandigheid dat de vader van [betrokkene 1] voor hem een alimentatie van € 225,-- betaalt, vormt hiervoor onvoldoende motivering, nu de gedingstukken geen grond bieden om aan te nemen dat daarmee de behoefte van een kind van 8-9 jaar in de door het hof hypothetisch aangenomen situatie volledig wordt gedekt.

Deze klacht slaagt derhalve. De overige klachten van de onderdelen 2.4-2.4.3 behoeven geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof te Arnhem van 3 december 2002;

verwijst het geding naar het gerechtshof te Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, O. de Savornin Lohman, P.C. Kop en E.J. Numann, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 27 februari 2004.