Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AN9235

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-01-2004
Datum publicatie
14-01-2004
Zaaknummer
02872/02
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AN9235
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Einduitspraak in de zin van art. 138 Sv? In eerste aanleg wordt bij vonnis (30/08/2001) de OvJ niet-ontvankelijk verklaard voor de feiten 1 t/m 4; voor feit 5 wordt de heropening van het onderzoek bevolen. De OvJ gaat eerst na de einduitspraak voor feit 5 (02/05/2002) in hoger beroep ten aanzien van alle feiten. Hof oordeelt het hoger beroep ten aanzien van de feiten 1 t/m 4 terecht tardief; de niet-ontvankelijkverklaring in het eerste vonnis is een einduitspraak en geen tussenuitspraak.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 138, geldigheid: 2004-01-13
Wetboek van Strafvordering 408, geldigheid: 2004-01-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2004, 52
NBSTRAF 2004/52
JOL 2004, 33
NJ 2005, 53

Uitspraak

13 januari 2004

Strafkamer

nr. 02872/02

EW/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 4 oktober 2002, nummer 22/003380-02, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft de Officier van Justitie ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De plaatsvervangend Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.2. Ingekomen is een schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel strekt ten betoge dat het Hof in de bestreden uitspraak ten onrechte heeft geoordeeld dat de Officier van Justitie in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, althans deze beslissing heeft doen steunen op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen.

3.2. De procesgang in deze zaak is, voorzover hier van belang, als volgt geweest:

(i) de verdachte is in eerste aanleg gedagvaard tegen de terechtzitting van 21 december 2000; als feiten 1 tot en met 4 zijn overtredingen van de Opiumwet en als feit 5 is een diefstal tenlastegelegd;

(ii) de Rechtbank heeft het onderzoek ter terechtzitting geschorst voor het horen van onder meer twee leden van een politie-infiltratieteam als getuige;

(iii) de bedoelde getuigen zijn niet opgeroepen tegen de terechtzitting van 12 juli 2001 waarop het onderzoek in de zaak werd hervat; daarop is het onderzoek ter terechtzitting opnieuw geschorst en de beslissing tot oproeping van de getuigen gehandhaafd;

(iv) het onderzoek is hervat ter terechtzitting van 17 augustus 2001; aldaar is gebleken dat de getuigen opnieuw niet zijn opgeroepen; de Officier van Justitie en de raadsman hebben zich ter terechtzitting uitgelaten over het oproepen van bedoelde getuigen; daarop heeft de voorzitter het onderzoek ter terechtzitting gesloten en bepaald dat de uitspraak zal plaatsvinden op de terechtzitting van 30 augustus 2001;

(v) het op 30 augustus 2001 gewezen vonnis houdt onder meer in:

"3. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Namens de verdachte heeft de verdediging betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging wegens inbreuk op artikel 6, lid 3 van het Europees verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), nu de verdediging niet op adequate wijze in staat is gesteld politie-infiltranten te ondervragen.

De rechtbank overweegt hieromtrent:

Ter terechtzitting van 21 december heeft de rechtbank geoordeeld dat in deze zaak drie getuigen - één met name genoemde getuige en twee niet bij naam bekende getuigen, te weten de politieambtenaren A 1550 en A 1016 - dienden te worden gehoord en heeft de rechtbank oproeping van deze niet bij naam bekende getuigen bevolen tegen een nader te bepalen tijdstip op 1 maart 2001. De dag voor nadere behandeling is ongebruikt voorbijgegaan, waarop de zaak wederom op 12 juli 2001 heeft gediend.

Ter terechtzitting van 12 juli 2001 zijn de bedoelde niet bij naam bekende getuigen niet verschenen. De officier van justitie heeft ter terechtzitting de rechtbank verzocht de beslissing deze niet bij naam bekende getuigen ter openbare terechtzitting te

horen, te heroverwegen en deze getuigen door de rechter-commissaris te doen horen, waarna deze getuigen, indien noodzakelijk, in een later stadium alsnog ter openbare terechtzitting zouden kunnen worden gehoord.

De rechtbank heeft alstoen onder meer beslist dat voor een heroverweging geen plaats was en dat bedoelde getuigen dienden te worden opgeroepen en ter openbare terechtzitting te worden gehoord, daarbij tevens aangevend dat dit verhoor zou plaatsvinden in een beveiligde zaal met alle waarborgen omkleed.

Ter terechtzitting van 17 augustus 2001 heeft de officier van justitie verklaard de niet bij naam bekende getuigen niet zonder voorafgaand verhoor door de rechter-commissaris te zullen oproepen.

De rechtbank vat de deze verklaring op als een weigering overeenkomstig artikel 349, lid 3 van het Wetboek van Strafvordering.

Deze weigering van de officier van justitie zal naar het oordeel van de rechtbank moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in haar vervolging terzake van de in de dagvaarding genoemde feiten 1 tot en met 4, nu beide niet bij naam bekende getuigen ingevolge de beslissing van de rechtbank van 8 december 2000 geen bedreigde getuigen in de zin van de artikelen 226a tot en met 226f van het wetboek van Strafvordering zijn.

De rechtbank is echter van oordeel dat de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging zich echter niet uitstrekt tot het de verdachte ten laste gelegde feit 5. Inzake het opsporingsonderzoek met betrekking tot dit feit is er geen gebruik gemaakt van politie-infiltranten, zodat voorgaande met betrekking tot de niet bij naam bekende getuigen gestelde niet geldt ten aanzien van het ten laste gelegde feit 5. De raadsman heeft ook niet bedoeld om bedoelde getuigen te doen oproepen teneinde hen vragen te stellen omtrent feiten en omstandigheden met betrekking tot dit feit. De officier van justitie is ontvankelijk in haar vervolging terzake van dit feit.

4. De beslissing

De rechtbank:

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging met betrekking tot de ten laste gelegde feiten 1, 2, 3 en 4.

Verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging met betrekking tot het ten laste gelegde feit 5.

Heropent het gesloten onderzoek.

Bepaalt dat het onderzoek ter terechtzitting zal worden voortgezet ter terechtzitting van 12 oktober 2001, om 14:45 uur, gezien het feit dat onder de beraadslaging gebleken is dat het onderzoek niet volledig is geweest, teneinde de verdere voortgang van de zaak te bespreken met de officier van justitie, de raadsman en de verdachte.

Beveelt de oproeping van verdachte (en de kennisgeving daarvan aan zijn raadsman) tegen het tijdstip, waarop met de behandeling van deze zaak zal worden voortgegaan."

(vi) ter terechtzitting van 18 april 2002 is het onderzoek, dat beperkt is gebleven tot het onder 5 tenlastegelegde feit, voortgezet;

(vii) bij vonnis van 2 mei 2002 is de verdachte veroordeeld ter zake van het onder 5 tenlastegelegde feit;

(viii) op 6 mei 2002 heeft de Officier van Justitie hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis van 2 mei 2002 en tegen alle gewezen tussenvonnissen in deze zaak;

(ix) het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 september 2002 houdt onder meer in:

"De advocaat-generaal draagt de zaak voor. Hierbij merkt hij op dat de beslissing van de rechtbank te Dordrecht in delen is genomen. Op 30 augustus 2001 is het openbaar ministerie niet ontvankelijk verklaard in de vervolging ten aanzien van de onder 1 tot en met 4 tenlastegelegde feiten. Op 2 mei 2002 is de uitspraak gevolgd terzake van het onder 5 tenlastegelegde. De officier van justitie is op het verkeerde been gezet door deze afwijkende manier van werken. De officier is ervan uitgegaan dat de uitspraak van 30 augustus 2001 een tussenvonnis is geweest en daar staat geen hoger beroep tegen open. Daarom is de officier pas in mei 2002 in hoger beroep gegaan. Het openbaar ministerie is verontschuldigbaar te laat in appel.

De raadsman deelt mede dat naar zijn mening de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging een eindoordeel is ingevolge artikel 138 van het Wetboek van Strafvordering. Het openbaar ministerie is te laat in appel gegaan.

De advocaat-generaal voert hierna het woord en leest zijn schriftelijke vordering voor.

De advocaat-generaal vordert dat, met vernietiging van het vonnis waarvan beroep, het openbaar ministerie ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging van de verdachte en dat de zaak terug wordt verwezen naar de rechtbank te Dordrecht. (...)

De voorzitter deelt, na kort beraad, mede dat het onder 1 tot en met 4 tenlastegelegde en het onder 5 tenlastegelegde worden gesplitst. (...)

De voorzitter verklaart het onderzoek ten aanzien van het onder 1 tot en met 4 tenlastegelegde gesloten en deelt mede, dat uitspraak zal worden gedaan ter openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 oktober 2002 te 09.30 uur.

Het hof, gehoord de verdachte, diens raadsman en de advocaat-generaal, schorst hierop het onderzoek ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde (...)."

(x) de bestreden uitspraak houdt onder meer in:

"3. Procesgang

In eerste aanleg is de officier van justitie terzake van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging. De verdachte is in eerste aanleg terzake van het onder 5 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien (10) weken. (...)

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft het hof het onder 1 tot en met 4 tenlastegelegde en het onder 5 tenlastegelegde gesplitst. Hierbij is de behandeling van het onder 5 tenlastegelegde voor bepaalde tijd aangehouden.

4. Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De meervoudige kamer van de arrondissementsrechtbank in Dordrecht heeft naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 21 december 2000, 12 juli 2001 en 17 augustus 2001 vonnis gewezen op 30 augustus 2001 terzake van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde. Inzake het onder 5 tenlastegelegde is het op 17 augustus 2001 gesloten onderzoek bij vonnis van 30 augustus 2001 heropend en geschorst tot de behandeling van de zaak op 12 oktober 2001, waar de zaak voor onbepaalde tijd is aangehouden en is voortgezet op 18 april 2002, waarna in de zaak betreffende het onder 5 tenlastegelegde uitspraak is gedaan op 2 mei 2002.

De officier van justitie heeft op 6 mei 2002 hoger beroep aangetekend tegen "het eindvonnis d.d. 2 mei 2002 alsmede tegen alle genomen tussenvonnissen". Bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is het hof gebleken dat de officier van justitie in eerste aanleg is uitgegaan van de veronderstelling dat het gehele onderzoek ter terechtzitting pas is afgerond op 2 mei 2002 en dat het vonnis van 30 augustus 2001 een tussenvonnis was waartegen op dat moment nog geen hoger beroep openstond.

In het vonnis van 30 augustus 2001 heeft de rechtbank het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging terzake van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde.

De niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie is een einduitspraak in de zin van artikel 138 van het Wetboek van Strafvordering. Ingevolge artikel 408 van het Wetboek van Strafvordering dient het hoger beroep te worden ingesteld binnen veertien dagen na de einduitspraak. De officier van justitie heeft echter pas op 6 mei 2002 hoger beroep ingesteld tegen het op 30 augustus 2001 gewezen eindvonnis, zodat zij daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard."

3.3. Het middel behelst in de eerste plaats de klacht dat het Hof heeft miskend dat de beslissing van de Rechtbank van 30 augustus 2001 een tussenvonnis, dus een vonnis niet zijnde een einduitspraak, was. Het oordeel van het Hof dat de uitspraak van de Rechtbank van 30 augustus 2001 moet worden aangemerkt als een einduitspraak in de zin van art. 138 Sv is juist. Op de terechtzittingen in eerste aanleg van 21 december 2000, 12 juli 2001 en 17 augustus 2001 is aan de orde geweest de vraag naar het ter terechtzitting horen van twee politie-infiltranten, waaromtrent de Rechtbank uitdrukkelijk heeft aangegeven dat het aldaar horen van deze getuigen van beslissende betekenis was voor de afhandeling van de zaak. Nadat het onderzoek ter terechtzitting was gesloten, heeft de Rechtbank op 30 augustus 2001 ter zake van de onder 1 tot en met 4 tenlastegelegde feiten in de vorm van een vonnis de niet-ontvankelijkheid van de Officier van Justitie uitgesproken. Die beslissing, waarin ligt besloten dat de Rechtbank de splitsing van de gevoegde zaken heeft bevolen en de heropening van het onderzoek ter terechtzitting heeft beperkt tot het onder 5 tenlastegelegde feit, is een einduitspraak als bedoeld in art. 138 Sv. De primaire klacht faalt derhalve.

3.4. De steller van het middel stelt zich subsidiair op het standpunt dat het oordeel van het Hof dat de Officier van Justitie ten onrechte is uitgegaan van de veronderstelling dat het gehele onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg pas op 2 mei 2002 zou zijn afgerond, zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. Daartoe wordt gesteld dat de Rechtbank bij de Officier van Justitie, door de zaken in haar uitspraak van 30 augustus 2001 niet uitdrukkelijk te splitsen en niet expliciet de heropening van het onderzoek te beperken tot het onder 5 tenlastegelegde feit, de gerechtvaardigde verwachting heeft gewekt dat over alle vraagpunten genoemd in de art. 348 en 350 Sv ten aanzien van alle feiten alsnog bij één eind-uitspraak zou worden beslist en dat het hoger beroep binnen veertien dagen na die einduitspraak zou moeten worden ingesteld. In het middel wordt een beroep gedaan op HR 16 september 1996, NJ 1997, 122.

3.5. Mede gelet op de omstandigheid dat de niet-ontvankelijkverklaring ter zake van de onder 1 tot en met 4 tenlastegelegde feiten is opgenomen in een aan de wettelijke vereisten beantwoordend eindvonnis, doet zich - anders dan in het middel wordt gesteld - in de onderhavige zaak niet het geval voor dat door een verzuim van een rechter tekort is gedaan aan de bevoegdheid die de wet de procesdeelnemers geeft om door het instellen van een rechtsmiddel beslissingen van die rechter aan het oordeel van een hogere rechter te onderwerpen. Nu ook overigens niet valt in te zien dat door toedoen van de Rechtbank het gerechtvaardige vertrouwen is gewekt dat het hoger beroep ten aanzien van de onder 1 tot en met 4 tenlastegelegde feiten later dan veertien dagen na het wijzen van het als einduitspraak aan te merken vonnis van 30 augustus 2001 zou kunnen worden ingesteld, is het oordeel van het Hof daarop neerkomende dat het hoger beroep te laat is ingesteld en dat zulks niet verontschuldigbaar is, niet onbegrijpelijk. Ook de subsidiaire klacht faalt derhalve.

3.6. Het middel is dus tevergeefs voorgesteld.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 13 januari 2004.