Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AN8908

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-02-2004
Datum publicatie
06-02-2004
Zaaknummer
R03/046HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AN8908
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

6 februari 2004 Eerste Kamer Rek.nr. R03/046HR JMH/AS Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: STICHTING BUREAUS JEUGDZORG HAAGLANDEN/ZUID-HOLLAND (voorheen Stichting Jeugdzorg Den Haag), gevestigd te Voorburg, VERZOEKSTER tot cassatie, advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand, t e g e n [Verweerster], zonder bekende woonplaats, doch verblijvende te [plaats], VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 57
NJ 2004, 250 met annotatie van S.F.M. Wortmann
RvdW 2004, 29
JWB 2004/55
SJP 2004/171
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 februari 2004

Eerste Kamer

Rek.nr. R03/046HR

JMH/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

STICHTING BUREAUS JEUGDZORG HAAGLANDEN/ZUID-HOLLAND (voorheen Stichting Jeugdzorg Den Haag),

gevestigd te Voorburg,

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand,

t e g e n

[Verweerster],

zonder bekende woonplaats, doch verblijvende te [plaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming te 's-Gravenhage van 22 februari 2002 heeft de kinderrechter in de rechtbank te 's-Gravenhage [dochter 1] en [dochter 2], beiden geboren op [geboortedatum] 1999, hierna: de kinderen, over wie thans verweerster in cassatie - verder te noemen: de moeder - het ouderlijk gezag heeft, bij beschikkingen van 19 maart 2002 voorlopig onder toezicht gesteld met benoeming van thans verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de stichting - tot gezinsvoogdes, en de stichting gemachtigd de kinderen uit huis te plaatsen voor de periode van 20 maart 2002 tot 22 mei 2002.

De kinderrechter heeft op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming bij beschikking van 21 mei 2002 de kinderen onder toezicht gesteld voor de periode van 22 mei 2002 tot 22 februari 2003 met benoeming van de stichting tot gezinsvoogdes en bij beschikking van dezelfde datum voor de periode van 22 mei 2002 tot 22 februari 2003 een machtiging tot uithuisplaatsing verleend aan de stichting.

Op 14 juni 2002 heeft de stichting de kinderrechter een (spoedmachtiging) uithuisplaatsing van de kinderen bij de grootmoeder van moederszijde verzocht voor de duur van de ondertoezichtstelling.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 25 juni 2002 het verzoek van de stichting toegewezen voor de periode van 25 juni 2002 tot 22 februari 2003.

De stichting heeft deze machtiging niet ten uitvoer gelegd.

Tegen de beschikkingen van de kinderrechter van 21 mei 2002 betreffende de ondertoezichtstelling enerzijds en de machtiging tot uithuisplaatsing anderzijds heeft de moeder hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij beschikking van 16 oktober 2002 heeft het hof de beschikking van de kinderrechter van 21 mei 2002 betreffende de ondertoezichtstelling bekrachtigd.

Bij beschikking van 8 januari 2003 heeft het hof de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen de beschikking van 21 mei 2002 waarbij de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg dan wel in een tehuis voor opvoeding en verzorging was verleend.

De beschikking van het hof van 8 januari 2003 is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen laatstvermelde beschikking van het hof heeft de stichting beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De moeder heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de stichting in haar cassatieberoep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming heeft de kinderrechter in de rechtbank te 's-Gravenhage bij beschikking van 21 mei 2002 de kinderen van 22 mei 2002 tot 22 februari 2003 onder toezicht van de stichting gesteld, en bij beschikking van dezelfde datum de stichting gemachtigd de kinderen voor de periode 22 mei 2002 tot 22 februari 2003 uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg dan wel in een tehuis voor opvoeding en verzorging.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 25 juni 2002 op verzoek van de stichting haar gemachtigd de kinderen uit huis te plaatsen in een andere verblijfplaats, te weten bij de grootmoeder van moederszijde van 25 juni 2002 tot 22 februari 2003. De stichting heeft deze machtiging niet ten uitvoer gelegd.

Op het door de moeder tegen de beschikkingen van de kinderrechter van 21 mei 2002 ingestelde hoger beroep heeft het hof bij beschikking van 16 oktober 2002 de beschikking betreffende de ondertoezichtstelling bekrachtigd, en bij beschikking van 8 januari 2003 de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen de beschikking betreffende de uithuisplaatsing.

Het cassatieberoep is tegen laatstgenoemde beschikking gericht.

3.2 Nu de machtiging tot uithuisplaatsing op 22 februari 2003 is afgelopen heeft de stichting geen belang meer bij haar cassatieberoep, zodat zij daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De Hoge Raad ziet echter aanleiding in verband met het belang van de hier aan de orde zijnde rechtsvraag het navolgende te overwegen.

3.3 Het hof heeft in zijn bestreden beschikking geoordeeld dat het bestaan van twee machtigingen tot uithuisplaatsing met een verschillend doel in strijd is met de wet en het heeft daartoe overwogen dat dit uitdrukkelijk niet de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest, zoals blijkt uit art. 1:262 lid 3 BW. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt immers, aldus het hof, dat de ratio van deze bepaling is oneigenlijk gebruik van de machtiging tot uithuisplaatsing te voorkomen.

De art. 1:261 en 262 BW, zoals deze thans luiden, zijn voor zover hier van belang vastgesteld bij de op 1 november 1995 in werking getreden Wet van 26 april 1995, Stb. 255, tot herziening van de maatregel van ondertoezichtstelling van minderjarigen. Bij deze wet werd het voorheen geldende stelsel, waarin de kinderrechter zelf het kind uit huis plaatste, in die zin gewijzigd dat het openbaar ministerie, de raad voor de kinderbescherming of de gezinsvoogdij-instelling het initiatief tot uithuisplaatsing neemt, maar dat de controle daarop berust bij de kinderrechter, die de gezinsvoogdij-instelling een machtiging moet geven, wil deze tot uithuisplaatsing kunnen overgaan.

Met het oog op de belangen van de ouders en het kind is onder meer bepaald dat bij het verzoek van de gezinsvoogdij-instelling moet worden vermeld voor welke voorziening, soort voorziening of andere verblijfplaats de machtiging wordt gevraagd (art. 1:261 lid 1, laatste zin, BW) en dat een machtiging vervalt indien deze gedurende drie maanden niet ten uitvoer is gelegd (art. 1:262 lid 3 BW). Uit eerstgenoemde bepaling volgt echter, anders dan de tekst lijkt in te houden, niet dat een machtiging slechts op één voorziening betrekking kan hebben. In dit verband is van belang dat in bepaalde gevallen, zoals indien onzekerheid bestaat over de vraag wanneer een bepaalde plaatsingsmogelijkheid beschikbaar komt, een gezinsvoogdij-instelling belang erbij kan hebben over ruimere bevoegdheden te beschikken, in die zin dat een machtiging bijvoorbeeld betrekking heeft op verschillende voorzieningen binnen dezelfde soort of op voorzieningen van verschillende soort. Bij de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de wet van 26 april 1995, is dit onderkend en is de mogelijkheid van een meer algemene machtiging ook uitdrukkelijk onder ogen gezien (zie Kamerstukken II, 1992-1993, 23 003, nr. 3, blz. 40 e.v., en nr. 5, blz. 42 e.v.). Daarbij is onder meer opgemerkt dat het gaat om een evenwicht tussen de verschillende betrokken belangen, dat een waarborg tegen een te ruim gebruik van deze bevoegdheid ligt in de omstandigheid dat de rechter, na verhoor van ouder en kind, beslist of een dergelijke ruime machtiging noodzakelijk is met het oog op het doel van de uithuisplaatsing, en dat de machtiging tot uithuisplaatsing zodanig concreet moet zijn dat niet iedere vorm van uithuisplaatsing aan de gezinsvoogdij-instelling wordt overgelaten. Voorts is erop gewezen dat de mogelijkheid een ruimere machtiging te geven een doelmatige rechtspleging kan bevorderen, doordat niet voor iedere wijziging, bijvoorbeeld de overplaatsing van het kind naar een ander tehuis, opnieuw een machtiging behoeft te worden verzocht.

3.4 Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat ook het naast elkaar bestaan van twee achtereenvolgende machtigingen tot uithuisplaatsing niet in strijd is met de wet. Niet valt immers in te zien dat hetgeen aanstonds zou kunnen zijn bepaald bij één (ruime) machtiging, niet, indien zulks in verband met na een eerdere machtiging gebleken omstandigheden in het belang van het kind is, in achtereenvolgende, elkaar op onderdelen aanvullende, machtigingen zou kunnen worden bepaald. Om het belang van de ouders en het kind te waarborgen en om onduidelijkheid te voorkomen, dient de rechter dan wel bij de mondelinge behandeling van het verzoek van de gezinsvoogdij-instelling tot het geven van de volgende machtiging de verhouding tot de bestaande machtiging aan de orde te stellen en in zijn beschikking tot het geven van de volgende machtiging van deze verhouding rekenschap te geven. De rechter dient dan uitdrukkelijk te vermelden of deze machtiging de eerdere machtiging aanvult, wijzigt dan wel geheel vervangt.

Voorts staat het de rechter om dezelfde redenen vrij weliswaar aanstonds een ruime machtiging te geven in die zin dat de gezinsvoogdij-instelling aanvankelijk - al naar gelang de omstandigheden - een zekere keuzevrijheid tot plaatsing van het kind heeft, maar die keuzevrijheid tevens te beperken bijvoorbeeld in die zin dat, als de aanvankelijke keuze om welke reden ook niet kan worden gerealiseerd of niet tot succes leidt, de gezinsvoogdij-instelling zich opnieuw tot de kinderrechter dient te wenden, dan wel in haar mogelijkheden tot verdere plaatsing van het kind is beperkt tot de in de aanvankelijke beschikking al aanstonds opgesomde mogelijkheden.

4. Beslissing

De Hoge Raad verklaart de stichting niet-ontvankelijk in haar beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, P.C. Kop, E.J. Numann en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 6 februari 2004.