Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AN8903

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-02-2004
Datum publicatie
20-02-2004
Zaaknummer
C02/288HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AN8903
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

20 februari 2004 Eerste Kamer Nr. C02/288HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [eiseres], wonende te [woonplaats], EISERES tot cassatie, advocaat: mr. P. Garretsen, t e g e n [verweerster], gevestigd te [vestigingsplaats], VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. E. Grabandt. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 95
NJ 2006, 113
RvdW 2004, 37
JWB 2004/65
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 februari 2004

Eerste Kamer

Nr. C02/288HR

JMH/AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiseres], wonende te [woonplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen,

t e g e n

[verweerster], gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. E. Grabandt.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft bij exploot van 20 augustus 1998 verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - gedagvaard voor de rechtbank te Amsterdam en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [verweerster] te veroordelen aan [eiseres] te betalen een bedrag van ƒ 40.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.

[Verweerster] heeft de vordering bestreden.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 13 september 2000 een comparitie van partijen gelast.

Tegen dit tussenvonnis heeft [verweerster] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.

Bij arrest van 28 maart 2002 heeft het hof het vonnis waarvan beroep vernietigd en, opnieuw rechtdoende, [eiseres] haar vordering ontzegd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding en het herstelexploot zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Verweerster] heeft omstreeks juli 1989 in opdracht en voor rekening van [eiseres] het bestaande pannendak van de woning van [eiseres] te [woonplaats] (hierna: de woning) door een shinglesdakbedekking vervangen en voor vervanging van een goot zorggedragen.

(ii) Na de uitvoering van deze werkzaamheden deden zich in de woning lekkages voor en ontstonden in het plafond van de zolderverdieping op diverse plaatsen vochtplekken. Om die reden heeft [eiseres] van de door [verweerster] ingediende facturen ƒ 1.330,-- onbetaald gelaten.

(iii) Op 18 augustus 1993 heeft [verweerster] [eiseres] gedagvaard voor de kantonrechter Amsterdam met betrekking tot voormeld, nog openstaand bedrag van ƒ 1.330,--, vermeerderd met rente en kosten. In die procedure heeft [eiseres] een reconventionele vordering tot betaling van ƒ 4.500,- met rente en kosten ingesteld en heeft daaraan in haar conclusie van antwoord in conventie/van eis in reconventie onder meer het volgende ten grondslag gelegd:

"6. Al snel na de oplevering der werkzaamheden door [verweerster] constateerde [eiseres] dat het werk niet goed was uitgevoerd. Er deden zich lekkages voor. [Verweerster] had onder andere een nieuwe dakgoot en een nieuw dakraam aangebracht. Onder die goot en langs het dakraam lekte hemelwater naar binnen. Maar ook op diverse andere plaatsen ontstonden lekkages, kennelijk doordat [verweerster] de nieuw aangebrachte dakbedekking niet had voorzien van behoorlijke zinken aansluitingen ten behoeve van de waterafvoer.

7. Op klachten van [eiseres] is [verweerster] aanvankelijk nog verschenen. Omdat het water niet wegstroomde uit de goot lag de conclusie voor de hand dat de afvoerpijp verstopt was. (Op zich mocht dit overigens niet leiden tot het binnenlekken van water in de woning van [eiseres].) [Verweerster] heeft toen die regenpijp ontstopt. De lekkages bleven zich echter voordoen. [Eiseres'] klachten werden door [verweerster] afgedaan met de mededeling dat zij of haar buren de regenpijp maar moest laten ontstoppen door een loodgieter. (Volgens diezelfde buren is de verstopping overigens door [verweerster] zelf veroorzaakt, doordat bij de werkzaamheden puin en afval in de goot en de afvoerpijp terecht zijn gekomen.)"

(iv) Bij brief van 26 april 1995 heeft het door [eiseres] geraadpleegde bedrijf [A] B.V. (hierna: [A]) het navolgende aan [eiseres] bericht:

"Hierbij doe ik u verslag van de door mij onderzochte daklekkage's op bovengenoemd pand te [woonplaats]. Het dak is nog niet zo lang geleden van een nieuwe bedekking voorzien. Naar uw zeggen is er ook een nieuw dakbeschot aangebracht. Het dak is op vele plaatsen doorgezakt. U vertelde mij dat er zich tussen het stucwerk binnen en het dakbeschot buiten isolatie bevindt. Dit is de oorzaak van het doorgezakte dakbeschot. Doordat de isolatie binnen aangebracht is condenseert de vochtige lucht tegen de koude shinglesbedekking waardoor het beschot nat wordt en zijn vormvastheid verliest. Tijdens het aanbrengen van het nieuwe beschot had de isolatie weggehaald moeten worden of er had een zeer goede dampdichte laag onder het beschot aangebracht moeten worden. Hierdoor had er geen overmatige condensatie plaats gevonden. U verwijzend naar onze offerte van 3 april 1995 ten einde een definitieve oplossing te waarborgen, neem ik aan u hiermede van dienst te zijn geweest."

(v) De kantonrechter heeft de onder (iii) genoemde reconventionele vordering van [eiseres] bij eindvonnis van 30 augustus 1996 afgewezen.

(vi) Deze afwijzing volgde op een door [eiseres] op 7 juni 1996 genomen akteverzoek, waarvan de inhoud luidt als volgt:

"Mr. D.C. Kooman als gemachtigde van partij [eiseres] verzoekt akte van het navolgende.

1. [Eiseres] ziet af van het nemen van een conclusie na gehouden getuigenverhoren.

2. Naar het oordeel van [eiseres] leveren de verklaringen van de getuigen nieuwe feiten op, die nopen tot een wijziging van haar eis, zowel wat de grondslag als het petitum betreft. Gelet op de stand van de onderhavige procedure en op de omstandigheid dat met de eisvermeerdering de bevoegdheidsgrens van de Kantonrechter overschreden zou worden, zodat verwijzing zou moeten volgen, ziet [eiseres] eveneens ervan af te vorderen dat zij haar eis zal mogen veranderen."

3.2 Aan haar vordering in het onderhavige geding heeft [eiseres] ten grondslag gelegd, kort gezegd, dat, naar haar in april 1995 is gebleken, de vochtoverlast in de woning niet het gevolg is van lekkages, maar van vochtophoping van binnenuit, doordat de in de woning aanwezige damp tegen het dakbeschot condenseert en bij gebreke van ventilatiemogelijkheden wordt omgezet in water en dat [verweerster], als professioneel dakdekker, had moeten weten dat de door haar voorgestelde en uitgevoerde wijziging van een pannendak- in een shinglesdakconstructie gevolgen zou hebben voor de ventilatie onder het dakbeschot, zodat daar vochtproblemen zouden ontstaan.

3.3 [Verweerster] heeft zich, voor zover in cassatie van belang, verweerd met een beroep op het gezag van gewijsde van het hiervoor in 3.1 onder (iv) bedoelde vonnis van de kantonrechter, alsmede met een beroep op verjaring van de vordering van [eiseres].

3.4 De rechtbank heeft in haar (tussen)vonnis van 13 september 2000 het beroep van [verweerster] op het gezag van gewijsde van het vonnis van de kantonrechter van 30 augustus 1996 afgewezen. Ook het beroep van [verweerster] op verjaring van de vordering van [eiseres] wees de rechtbank af, omdat moest worden aangenomen dat [eiseres] eerst omstreeks april 1995 met de schade bekend was geworden en de dagvaarding op 20 augustus 1998 is uitgebracht.

3.5 In het door [verweerster] tegen dat vonnis ingestelde hoger beroep heeft het hof het beroep van [verweerster] op het gezag van gewijsde gehonoreerd. Het heeft daartoe overwogen:

"4.3 (...) Zowel in het geding bij de kantonrechter als in het geding dat heeft geleid tot het vonnis waarvan beroep, vordert [eiseres] immers nakoming van de verbintenis tot schadevergoeding die, naar zij stelt, op [verweerster] is komen te rusten omdat hij wanprestatie heeft gepleegd in de nakoming van zijn verbintenis voortvloeiende uit de overeenkomst van aanneming van juli 1989 tot het verrichten van werkzaamheden aan de dakdekking van het pand (...) te [woonplaats].Derhalve gaat het in beide gevallen om dezelfde rechtsbetrekking tussen partijen en brengt een andere feitelijke oorzaak van de schade niet mee dat gesproken kan worden van een andere juridische grondslag van de vordering van [eiseres]. Die grondslag blijft immers schadevergoeding op grond van wanprestatie door [verweerster] in de nakoming van de overeenkomst van aanneming tot (het) verrichten van werkzaamheden aan de dakdekking van genoemd pand. [eiseres] herhaalt dus feitelijk(...) haar vordering.",

waarna het hof in rov. 4.4 de stelling van [eiseres] dat [verweerster] bij haar beroep op het gezag van gewijsde geen redelijk en rechtens te respecteren belang had, heeft verworpen.

3.6 Ook het beroep op verjaring slaagde volgens het hof, dat daartoe overwoog:

"4.5 (...) De verjaringstermijn bij schadevorderingen uit overeenkomst vangt immers aan de dag volgend op die waarop de benadeelde bekend was met de schade en de aansprakelijke persoon, terwijl de hoegrootheid van de schade niet behoeft vast te staan.

Dit tijdstip ligt kort na het uitvoeren van de werkzaamheden en kan in elk geval, gelet op de inhoud van de brief van [eiseres] aan [verweerster] van die datum, gesteld worden op 24 december 1990. De stuiting van die verjaring door een eis in reconventie in te stellen in de procedure bij de kantonrechter kan haar niet baten, nu die eis niet tot toewijzing heeft geleid en [eiseres] niet binnen zes maanden nadat het geding door het in kracht van gewijsde gaan van die uitspraak (of op andere wijze) was geëindigd een nieuwe eis overeenkomstig art. 3:316 tweede lid BW heeft ingesteld."

3.7 Middel I richt zich tegen 's hofs beslissingen in rov. 4.3 en 4.4, middel II tegen die in rov. 4.5. Nu zowel de aanvaarding van het beroep op het gezag van gewijsde als die van het beroep op verjaring van de vordering de afwijzing door het hof van de vordering van [eiseres] zelfstandig kan dragen, slaagt het beroep in cassatie slechts indien beide middelen gegrond zijn.

3.8 De Hoge Raad zal eerst het tweede middel behandelen. De onderdelen 2.2 - 2.4 strekken ten betoge dat [eiseres] eerst in (april) 1995 met de schade als gevolg van de condensvorming bekend is geworden, nadat [A] een onderzoek naar de door [eiseres] ondervonden vochtoverlast had ingesteld en daarover verslag aan [eiseres] had uitgebracht, zodat [eiseres] haar (tweede) vordering in 1998 binnen de verjaringstermijn van vijf jaar heeft in- gesteld.

3.9 Art. 3:310 lid 1 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Anders dan waarvan het middel kennelijk uitgaat, betekent zulks niet dat de benadeelde steeds ook met de oorzaak van de schade bekend dient te zijn, wil de verjaringstermijn een aanvang nemen. De verjaringstermijn begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de schade in te stellen (HR 31 oktober 2003 nr. C02/234, RvdW 2003, 169). Nu door [eiseres] in de feitelijke instanties niets is aangevoerd waaruit volgt dat zij vóór april 1995 niet daadwerkelijk in staat was een rechtsvordering ter zake van de onderhavige schade in te stellen, kunnen de onderdelen 2.2 - 2.4 niet tot cassatie leiden.

3.10 Het in 3.9 overwogene brengt mee dat ook onderdeel 2.5 niet tot cassatie kan leiden.

3.11 Nu het tweede middel niet tot cassatie kan leiden behoeft, gelet op hetgeen hiervoor in 3.7 is overwogen, het eerste middel geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 301,34 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, A.M.J. van Buchem-Spapens, P.C. Kop en E.J. Numann, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 20 februari 2004.