Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AN8587

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-01-2004
Datum publicatie
06-01-2004
Zaaknummer
01769/03
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AN8587
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Het hof heeft verdachte ten onrechte ontvankelijk geacht in twee dagen te laat ingesteld hoger beroep. De door het hof aan zijn beslissing ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden houden geen verband met het verzuim tijdig hoger beroep in te stellen, zodat zij geen bijzondere omstandigheden opleveren welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 408
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2004, 53
NBSTRAF 2004/53
JOL 2004, 12
NJ 2004, 181
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 januari 2004

Strafkamer

nr. 01769/03

AGJ/IV

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 28 oktober 2002, nummer 22/001686-02, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 11 juli 2001 - de verdachte ter zake van "overtreding van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot een geldboete van € 226,-, subsidiair vier dagen hechtenis.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof de verdachte ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd ontvankelijk heeft verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep.

3.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 14 oktober 2002 houdt, voorzover hier van belang, het volgende in:

"De advocaat-generaal concludeert tot het niet-ontvankelijk verklaren van de verdachte in het hoger beroep, aangezien hij niet binnen veertien dagen na het op 11 juli 2001 gewezen vonnis hoger beroep heeft ingesteld.

De verdachte legt aan het hof over

- een brief d.d. 29 juni 2001 gericht aan het Parket officier van justitie te Den Haag;

- zijn verklaring d.d. 29 juni 2001;

- twee bewijzen van aangetekende verzending van voornoemde stukken.

De voorzitter voegt de overgelegde stukken in het onderhavige dossier.

De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor beraad, waarna het onderzoek wordt hervat.

De voorzitter deelt als beslissing van het hof mede - zakelijk weergegeven - :

Bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de verdachte tevoren bekend was met de dag van de terechtzitting in eerste aanleg van 11 juli 2001.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij niet ter terechtzitting in eerste aanleg kon verschijnen, omdat hij voor zijn werk in Amerika was. Hij heeft telefonisch contact opgenomen met het parket en vervolgens op hun advies een aangetekende brief verzonden met het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak, teneinde in persoon ter terechtzitting te kunnen verschijnen.

De eerste rechter heeft vervolgens naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 11 juli 2001 vonnis gewezen op 11 juli 2001.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 juli 2001 is de brief van de verdachte niet ter tafel gekomen. Ook bevond de brief zich niet tussen de processtukken die op 12 november 2001 zijn ingekomen bij het hof. Het is daarom aannemelijk dat de rechter in eerste aanleg geen kennis droeg van de brief.

De verdachte heeft op 22 juli 2001, toen hij zich nog in de Verenigde Staten bevond, een machtiging opgesteld waarin hij zijn vrouw machtigt om hoger beroep in te stellen tegen voornoemd vonnis. Zij heeft dit op 27 juli 2001 gedaan.

Op zichzelf had de verdachte binnen veertien dagen na het op 11 juli 2001 gewezen vonnis in hoger beroep moeten komen. In het licht van de bovengenoemde omstandigheden valt echter naar het oordeel van het hof de (tamelijk geringe) termijnoverschrijding te pardonneren aangezien de verdachte mocht verwachten dat aan diens, tijdig per aangetekende post verstuurde, verzoek om aanhouding gevolg zou worden gegeven. Vervolgens heeft de verdachte niet stil gezeten, maar tijdig geïnformeerd naar de afloop van de zitting. Derhalve acht het hof - bij hoge uitzondering - de verdachte, ondanks het feit dat het hoger beroep te laat is ingesteld, ontvankelijk."

3.3. De wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden; die termijnen zijn van openbare orde (vgl. HR 28 maart 1995, NJ 1995, 500). Het Hof heeft feitelijk en niet onbegrijpelijk vastgesteld dat de dag van de terechtzitting van de Politierechter de verdachte tevoren bekend was. Dat brengt mee dat ingevolge art. 408, eerste lid aanhef en onder c, Sv de termijn voor het instellen van hoger beroep op 25 juli 2001 is verstreken. Het hoger beroep is dus, zoals ook het Hof heeft overwogen, te laat ingesteld.

3.4. Deze overschrijding van de daarvoor gestelde termijn betekent dat de verdachte niet in het hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend dan niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. Daarbij kan worden gedacht aan binnen de beroepstermijn verstrekte ambtelijke informatie waardoor bij de verdachte de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de beroepstermijn op een ander tijdstip aanvangt (vgl. HR 20 december 1994, NJ 1995, 253) of aan een zodanige psychische gesteldheid dat in verband daarmee het verzuim tijdig hoger beroep in te stellen niet aan de verdachte kan worden toegerekend (vgl. HR 7 april 1998, NJ 1998, 577; HR 12 juni 2001, NJ 2001, 696).

3.5. De door de verdachte als verontschuldiging voor de termijnoverschrijding aangevoerde feiten en omstandigheden, die het Hof aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd, houden geen verband met het verzuim tijdig hoger beroep in te stellen, zodat zij geen bijzondere omstandigheden als hiervoor onder 3.4 bedoeld kunnen opleveren. Het Hof heeft zulks miskend, zodat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven. De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak;

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, J.P. Balkema en W.A.M. van Schendel en J. de Hullu, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 6 januari 2004.