Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AN8586

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-01-2004
Datum publicatie
16-03-2004
Zaaknummer
01749/03 B
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AN8586
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Voor de vraag of klaagster (moeder van overleden slachtoffer, namens wie is gesteld dat haar zoon het inbeslaggenomen geld in het uitgaansleven heeft verdiend) als belanghebbende in de zin van art. 552a Sv kan gelden en dientengevolge in het beklag kan worden ontvangen is niet beslissend of zij als eigenaar kan worden aangemerkt, maar of zij heeft gesteld eigenaar te zijn.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 109
Burgerlijk Wetboek Boek 3 119
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 552a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2004, 54
NBSTRAF 2004/54
NJ 2004, 179
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 januari 2004

Strafkamer

nr. 01749/03 B

SG/IV

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van het Gerechtshof te Amsterdam van 18 februari 2003, nummer RK 278/02, op een beklag als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:

[klaagster], geboren te [geboorteplaats] (Italië) op [geboortedatum] 1939, zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. De bestreden beschikking

Het Hof heeft niet-ontvankelijk verklaard het door klaagster ingediende beklag strekkende tot teruggave aan haar van het in bovenstaande beschikking omschreven voorwerp.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. Het eerste middel klaagt erover dat het Hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd klaagster niet als belanghebbende in de zin van art. 552a Sv heeft aangemerkt. Het tweede middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat klaagster niet redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. De beide middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

3.2. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

In het opsporingsonderzoek in de strafzaak tegen [verdachte], die ervan werd verdacht in zijn woning te Amsterdam op 5 maart 2000 [het slachtoffer] te hebben gedood, is onder [verdachte] in die woning een groot bedrag aan Italiaanse Lires inbeslaggenomen. Bij onherroepelijk geworden arrest van het Hof van 13 augustus 2002 is bewezen verklaard dat [verdachte] de hem tenlastegelegde doodslag op [het slachtoffer] heeft begaan, maar is hij ter zake van alle rechtsvervolging ontslagen. Bij dat arrest heeft het Hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelast van het inbeslaggenomen bedrag aan Italiaanse Lires.

Namens [verdachte] is bij gelegenheid van de behandeling in raadkamer verklaard dat hij geen aanspraak maakt op dit inbeslaggenomen geldbedrag. Klaagster is enig rechthebbende op de nalatenschap van [het slachtoffer].

3.3.1. Het namens klaagster gedane beklag als bedoeld in art. 552a Sv strekt tot teruggave van het inbeslaggenomen bedrag aan Italiaanse Lires aan haar. Het klaagschrift houdt, voorzover hier van belang, in:

"In de gewezen strafzaak tegen [verdachte] (...) werd door de politie op de plaats delict een groot geldbedrag in beslag genomen (...).

Deze gelden zijn door de overleden zoon van verzoeker, [het slachtoffer] (...) op 5 maart 2000 meegenomen naar Amsterdam en naar de woning waar de gelden later door de politie zijn inbeslaggenomen. [Het slachtoffer] dient derhalve als houder van de gelden te worden beschouwd tot aan zijn gewelddadige dood op 5 maart 2000.

Nu het houderschap van [het slachtoffer] onweersproken is gebleven, geldt op grond van artikel 109 van boek 3 Burgerlijk wetboek dat aangenomen wordt dat [het slachtoffer] de genoemde goederen (...) voor zichzelf hield. Op grond van artikel 119, lid 1 van boek 3 van het Burgerlijk wetboek dient derhalve als wettelijk uitgangspunt te gelden dat [het slachtoffer] als houder en bezitter tevens rechthebbende op de inbeslaggenomen gelden was tot aan het moment van zijn overlijden, op welk moment de gelden van rechtswege in de nalatenschap vielen.

Nu onweersproken is gebleven dat [het slachtoffer] houder was van de inbeslaggenomen gelden (...) en als wettelijk uitgangspunt geldt dat hij daarmee geacht wordt rechthebbende op het geld te zijn geweest is verzoeker [klaagster], als enig erfgenaam en daarmee rechtsopvolger van de overledene, rechthebbende op genoemde geldbedragen op de beslaglijst. Voorts zijn er geen redenen van algemeen belang aangevoerd die zich zouden verzetten tegen teruggave aan de rechthebbende."

3.3.2. Het proces-verbaal van behandeling in raadkamer houdt, voorzover hier van belang, als door de advocaat van klaagster gegeven toelichting op het klaagschrift het volgende in:

"Het beklag is toegespitst op de regeling in het Burgerlijk Wetboek. Mijn cliënt is rechthebbende omdat zij treedt in de rechten van haar overleden zoon. Hij was houder van het geld. Artikel 3:109 BW zegt dat de houder van een goed wordt vermoed dit voor zichzelf te houden en artikel 3:119 BW zegt dat de bezitter van een goed wordt vermoed rechthebbende te zijn. De zoon van klaagster is met het geld naar Nederland gekomen; hij had dit geld verdiend in het uitgaansleven. Dit laatste heb ik getracht te onderbouwen, maar dat is niet mogelijk gebleken.

Uit het dossier blijkt niet dat er een maatschappelijk belang is, dat zich tegen teruggave van het geld zou verzetten."

3.4. Het Hof heeft in de bestreden beschikking onder 'beoordeling' overwogen:

"Uit het dossier van de strafzaak en bij het onderzoek in raadkamer is genoegzaam gebleken dat op het moment waarop het slachtoffer [het slachtoffer] overleed, het inbeslaggenomen geld niet zijn eigendom was en dat [het slachtoffer] toen ook anderszins niet redelijkerwijs als rechthebbende kon worden aangemerkt. [Het slachtoffer] was slechts houder van het geld voor degenen die hem opdracht hebben gegeven tot het kopen van drugs en het betalen van een prijs, en als zodanig geen belanghebbende in de zin van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering.

De erfgena(a)m(en), onder wie verzoekster, tredend in de rechten van [het slachtoffer], kunnen om die reden evenmin als belanghebbende(n) worden aangemerkt.

Verzoekster kan derhalve niet worden ontvangen in het verzoek.

Overigens verdient nog vermelding dat in het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 13 augustus 2002 in de strafzaak tegen [verdachte] het volgende is overwogen:

Met betrekking tot de overige inbeslaggenomen voorwerpen genoemd in de als bijlage aan dit arrest gehechte beslaglijst zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten, nu ten aanzien van deze voorwerpen thans geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt en in het bijzonder ten aanzien van het inbeslaggenomen geld moet worden geoordeeld dat noch de verdachte noch de erfgena(a)m(en) van het slachtoffer [het slachtoffer] redelijkerwijs als rechthebbende kunnen worden aangemerkt."

3.5. Het Hof heeft de klaagster niet-ontvankelijk verklaard op grond van zijn oordeel dat zij geen belanghebbende is omdat zij niet als eigenaar van het geldbedrag kan worden aangemerkt. Dusdoende heeft het Hof miskend dat voor de vraag of de klaagster als belanghebbende in de zin van art. 552a Sv kan gelden en dientengevolge in het beklag kan worden ontvangen niet beslissend is of zij als eigenaar van het geldbedrag kan worden aangemerkt, maar of zij heeft gesteld daarvan eigenaar te zijn.

Voorzover ervan zou moeten worden uitgegaan dat het Hof heeft geoordeeld dat klaagster niet de stelling heeft betrokken dat zij eigenaar van het desbetreffende geldbedrag is, dan is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk nu blijkens het daarvan opmaakte proces-verbaal ter zitting van het Hof namens klaagster is aangevoerd: "de zoon van klaagster (...) had dit geld verdiend in het uitgaansleven."

3.6. Uit het vorenoverwogene volgt dat de middelen doel treffen en dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden beschikking;

Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 januari 2004.