Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AN8554

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-01-2004
Datum publicatie
03-05-2004
Zaaknummer
01213/03
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AN8554
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Geen omstandigheid ex art. 408 lid 1 sub c Sv. De enkele omstandigheid dat de raadsman op de wijze als door het hof vastgesteld – verzoek om stukken met vermelding van parketnummer en dag/tijdstip van de terechtzitting vóór de steldatum – blijk heeft gegeven op de hoogte te zijn van dag en uur van de terechtzitting in eerste aanleg brengt nog niet mee dat de verdachte tevoren met de dag van de terechtzitting bekend was ex art. 408 lid 1 sub c Sv.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 408
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2004/55
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 januari 2004

Strafkamer

nr. 01213/03

LR/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 19 maart 2003, nummer 22/004144-02, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een bij verstek gewezen vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage van 22 maart 2002, waarbij de verdachte ter zake van 1. "mishandeling" en 2. "opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast en belast met het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten" is veroordeeld tot tien weken gevangenisstraf.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.R. Mantz, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel klaagt erover dat het Hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het namens hem ingestelde hoger beroep.

3.2. Het Hof heeft in het bestreden arrest het volgende overwogen:

"Bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de raadsman van de verdachte, mr M.R. Mantz, op 20 februari 2002 per fax heeft verzocht om de processtukken in de zaak onder parketnummer 0909025401 voor de zitting van 22 maart 2002, te 16.00 uur. Hij heeft daarbij aangegeven dat de verdachte op dat moment uit anderen hoofde gedetineerd was. Tevens heeft de raadsman zich bij fax d.d. 9 maart 2002 gesteld als raadsman in de onderhavige zaak. Het hof is van oordeel dat deze berichtgeving van de kant van de (toenmalige) raadsman is aan te merken als een omstandigheid waaruit voortvloeit dat de verdachte tevoren bekend was met de dag van de terechtzitting in eerste aanleg van 22 maart 2002.

De eerste rechter heeft vervolgens naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 22 maart 2002 diezelfde dag vonnis gewezen.

De verdachte had derhalve binnen veertien dagen na het op 22 maart 2002 gewezen vonnis in hoger beroep moeten komen. Namens de verdachte heeft de raadsman echter eerst op 25 april 2002 hoger beroep ingesteld, zodat de verdachte daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard."

3.3. Zonder nadere motivering, welke ontbreekt, is 's Hofs oordeel niet begrijpelijk. De enkele omstandigheid dat de raadsman er op de wijze als door het Hof vastgesteld van blijk heeft gegeven op de hoogte te zijn van dag en uur van de terechtzitting in eerste aanleg brengt immers nog niet mee dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting de verdachte tevoren bekend was als bedoeld in art. 408, eerste lid aanhef en onder c, Sv.

3.4. Het middel treft dus doel.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak;

Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 6 januari 2004.