Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AN8075

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-02-2004
Datum publicatie
06-02-2004
Zaaknummer
C02/289HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AN8075
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

6 februari 2004 Eerste Kamer Nr. C02/289HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], Verenigd Koninkrijk, EISER tot cassatie, advocaat: mr. M.H. van der Woude, t e g e n de rechtspersoon naar vreemd recht BANQUE CENTRALE POPULAIRE, handelende onder de naam Banque Chaabi du Maroc, gevestigd te Amsterdam, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. E. Grabandt. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 192
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 166
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 66
JWB 2004/49
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 februari 2004

Eerste Kamer

Nr. C02/289HR

JMH/AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats], Verenigd Koninkrijk,

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. M.H. van der Woude,

t e g e n

de rechtspersoon naar vreemd recht BANQUE CENTRALE POPULAIRE, handelende onder de naam Banque Chaabi du Maroc,

gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. E. Grabandt.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 17 maart 1999 verweerster in cassatie - verder te noemen: de Bank - gedagvaard voor de kantonrechter te Utrecht en gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de Bank te veroordelen tegen bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen:

(a) een bedrag van ƒ 1.471.967,-- ter zake van achterstallige huurpenningen en vergoedingen als in de dagvaarding vermeld, vermeerderd met de contractuele vertragingsrente van 1.5% per maand vanaf 31 december 1998 tot aan die der algehele voldoening, en

(b) een bedrag van ƒ 50.078,01 ter zake van buitengerechtelijke kosten.

De Bank heeft de vorderingen bestreden.

De kantonrechter heeft bij vonnis van 4 augustus 1999 de vordering afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij de rechtbank te Utrecht.

[Eiser] heeft bij akte de grondslag van zijn eis gewijzigd en aangevuld.

Bij tussenvonnis van 25 oktober 2000 heeft de rechtbank [eiser] tot bewijslevering toegelaten en hem in de gelegenheid gesteld nadere inlichtingen te verstrekken en de zaak daartoe naar de rol verwezen.

Bij eindvonnis van 24 april 2002 heeft de rechtbank het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.

Beide vonnissen van de rechtbank zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het eindvonnis van de rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Bank heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De Bank heeft de zaak doen toelichten door haar advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Bank begroot op € 4.609,34 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, O. de Savornin Lohman, A. Hammerstein en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 6 februari 2004.