Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AN7640

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-01-2004
Datum publicatie
27-01-2004
Zaaknummer
01707/03 A
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AN7640
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen en Aruba. Ingevolge art. 10 jo art. 11 lid 1 van de Cassatieregeling staat geen cassatie open tegen een uitspraak waarbij het Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba verlof verleent tot tenuitvoerlegging van een buitenlandse rechterlijke beslissing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2004, 92
NBSTRAF 2004/92
JOL 2004, 56
NJ 2005, 42
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

27 januari 2004

Strafkamer

nr. 01707/03 A

AGJ/DAT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 21 augustus 2002, in de zaak tegen:

[veroordeelde], geboren te Aruba op [geboortedatum] 1945, ten tijde van het bestreden vonnis gedetineerd in het Korrektie Instituut Aruba.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft verlof verleend tot tenuitvoerlegging van het op 27 april 2001 uitgesproken vonnis van de United States District Court, Southern District of Florida, waarbij de veroordeelde schuldig is bevonden aan "conspiracy to participate in a criminal enterprise through a pattern of racketeering activities", strafbaar gesteld in Title 18, United States Code, Section 1962(d), en veroordeeld tot een gevangenisstraf van 135 maanden, gevolgd door 3 jaren "supervised release".

Het Hof heeft aan de veroordeelde een in Aruba ten uitvoer te leggen gevangenisstraf van acht jaren en zes maanden opgelegd. Voorts heeft het Hof bepaald dat de tijd gedurende welke aan de veroordeelde sedert 3 oktober 1997 in Aruba zijn vrijheid ontnomen is geweest uit hoofde van uitleveringsdetentie, in de Verenigde Staten van Amerika ter tenuitvoerlegging van de hem aldaar opgelegde straf en met het oog op zijn overbrenging naar Aruba en in Aruba uit hoofde van de voorlopige vrijheidsontneming, bij de uitvoering van de straf geheel in mindering zal worden gebracht.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de veroordeelde. Namens deze heeft mr. J.M. Sjöcrona, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het tweede middel gegrond zal verklaren en het beroep voor het overige zal verwerpen.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep

3.1. Het cassatieberoep is gericht tegen een uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba als bedoeld in art. 591 Sv Aruba, welke bepaling is opgenomen in titel IX 'Overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen' van het Zevende Boek inzake 'Enige rechtsplegingen van bijzondere aard'. Bij deze uitspraak zijn ten laste van de veroordeelde de hiervoor onder 1 vermelde beslissingen gegeven.

3.2. Ingevolge art. 10 in verbinding met art. 11, eerste lid, Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen en Aruba (hierna: de Cassatieregeling) staat - voorzover hier van belang - voor "de verdachte" beroep in cassatie open tegen "vonnissen" in "strafzaken". Een uitspraak als de onderhavige, waarbij het Hof verlof verleent tot tenuitvoerlegging van de buitenlandse rechterlijke beslissing, kan niet worden aangemerkt als een "vonnis" in een "strafzaak" in de zin van de Cassatieregeling, zoals ook de veroordeelde niet kan worden aangemerkt als "verdachte" als bedoeld in de Cassatieregeling. Enige andere bij Rijkswet gegeven bepaling op grond waarvan voor de veroordeelde beroep in cassatie tegen een uitspraak als bedoeld in art. 591 Sv Aruba open staat, ontbreekt.

3.3. Uit het vorenoverwogene volgt dat de veroordeelde niet kan worden ontvangen in het door hem ingestelde cassatieberoep.

4. Beslissing

De Hoge Raad verklaart de veroordeelde niet-ontvankelijk in het cassatieberoep.

Dit arrest is gewezen door de president W.E. Haak als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, A.J.A. van Dorst, W.A.M. van Schendel en J. de Hullu, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 27 januari 2004.