Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AN7625

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-02-2004
Datum publicatie
27-02-2004
Zaaknummer
1391
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AN7625
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Nr. 1391 20 februari 2004 AB in de zaak van Railinfrabeheer B.V. (voorheen NS Railinfrabeheer B.V.), gevestigd te Utrecht, eiseres tot cassatie, verweerster in het incidentele cassatieberoep, advocaat: mr. J.A.M.A. Sluysmans, tegen [verweerder], wonende te [woonplaats], verweerder in cassatie, eiser in het incidentele cassatieberoep, advocaat: mr. R.F. Thunnissen. 1. Geding in feitelijke instantie ...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2004, 409 met annotatie van P.C.E. van Wijmen
RvdW 2004/33
BR 2004/167 met annotatie van J.F. de Groot
Module Ruimtelijke ordening 2004/3452
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 1391

20 februari 2004

AB

in de zaak van

Railinfrabeheer B.V. (voorheen NS Railinfrabeheer B.V.),

gevestigd te Utrecht,

eiseres tot cassatie,

verweerster in het incidentele cassatieberoep,

advocaat: mr. J.A.M.A. Sluysmans,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in cassatie,

eiser in het incidentele cassatieberoep,

advocaat: mr. R.F. Thunnissen.

1. Geding in feitelijke instantie

1.1. Bij exploit van 20 april 1999 heeft eiseres tot cassatie (hierna: RIB) de verweerder in cassatie (hierna: [verweerder]) doen dagvaarden voor de Arrondissementsrechtbank te Arnhem, en gevorderd ten behoeve van de aanleg van de Betuweroute tussen Rotterdam-Waalhaven en de Duitse grens nabij Zevenaar, gedeelte vanaf de gemeentegrens Tiel-Buren nabij recreatiegebied De Zandput (± km 53.4) tot aan de gemeentegrens Tiel-Buren nabij de Molenstraat (± km 57,5), met bijkomende werken, in de gemeente Buren, vervroegd uit te spreken ten name van RIB en ten algemenen nutte de onteigening van een gedeelte ter grootte van 0.07.31 ha van het perceel kadastraal bekend gemeente Buren, sectie [...], nummer [001], groot 0.31.20 ha, waarvan [verweerder] als eigenaar is aangewezen.

1.2. Bij vonnis van 16 september 1999, welk vonnis op 17 november 1999 is ingeschreven in de openbare registers, heeft de Rechtbank onder meer de gevorderde onteigening vervroegd uitgesproken en het voorschot op de schadeloosstelling voor [verweerder] vastgesteld op ƒ 47.000.

1.3. Bij vonnis van 29 januari 2003 heeft de Rechtbank, voor zover in cassatie van belang, de schadeloosstelling voor [verweerder] vastgesteld op € 54.550,65. Het vonnis is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

2.1. RIB heeft tegen het vonnis van 29 januari 2003 beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht, en maakt daarvan deel uit.

2.2. [Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep en heeft zijnerzijds incidenteel cassatieberoep tegen het vonnis van 29 januari 2003 ingesteld. Zijn desbetreffende conclusie is aan dit arrest gehecht.

2.3. RIB heeft geconcludeerd tot verwerping van het incidentele cassatieberoep.

2.4. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten door hun advocaten.

2.5. De Advocaat-Generaal C.W.M. van Ballegooijen heeft op 14 november 2003 geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis van de Rechtbank wegens gegrondbevinding van het tweede onderdeel van het middel in het principale beroep en tot verwijzing van het geding.

3. Beoordeling van het principale beroep

3.1. Het cassatiemiddel van RIB is gericht tegen de vaststelling door de Rechtbank van de waardevermindering van het niet-onteigende deel van het perceel van [verweerder] (hierna: het overblijvende) op het bedrag van ƒ 81.725 (€ 37.085,19). De Rechtbank heeft die waardevermindering bepaald door op de waarde van het geheel voor de onteigening (ƒ 825.000) de waarde van het overblijvende (ƒ 725.000) en de waarde van het onteigende (ƒ 18.275) in mindering te brengen. Bij de waardering van het overblijvende heeft de Rechtbank rekening gehouden met de waardedrukkende omstandigheid dat overlast valt te verwachten van het treinverkeer op de Betuweroute, waarbij zij in overweging nam dat de treinen, zij het slechts over een lengte van tien meter, ook zullen rijden over de twee op het onteigende aan te leggen spoorbanen die, naar deskundigen hebben onderstreept, in volle breedte op het onteigende komen te liggen. RIB heeft bij de Rechtbank een standpunt ingenomen dat daarop neerkomt dat de overlast die op het overblijvende te verwachten valt van het gebruik van de Betuweroute, moet worden gesplitst in hinder die de treinen zullen veroorzaken bij het rijden over dat deel van het tracé dat op het onteigende is aangelegd, en hinder die de treinen zullen veroorzaken bij het rijden over andere delen van het tracé, en dat bij de waardering van het overblijvende de hinder van het rijden over die andere delen van het tracé moet worden weggedacht.

3.2. De Rechtbank heeft, evenals deskundigen, dat standpunt terecht verworpen. Het gebruik van het werk dat op het onteigende zal worden aangelegd overeenkomstig het doel waartoe dat werk strekt, bestaat in het onderhavige geval niet slechts daaruit dat er treinen over het op het onteigende aangelegde segment van de spoorbanen van de Betuweroute zullen rijden, maar brengt tevens mede dat diezelfde treinen ter weerszijden van het onteigende over die spoorbanen zullen aan- en wegrijden. De hinder die op het overblijvende zal worden ondervonden van het rijden over de buiten het onteigende liggende delen van de spoorbanen is derhalve evenzeer een rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van de onteigening als de hinder die aldaar zal worden ondervonden van het rijden over het onteigende. Bij de waardering van het overblijvende teneinde de waardevermindering daarvan te bepalen behoort dan ook de totale aldaar van het treinverkeer over de twee spoorbanen te verwachten overlast in aanmerking te worden genomen als overlast die voortvloeit uit het gebruik van het werk op het onteigende.

Weliswaar wordt aldus aan [verweerder] vergoeding toegekend voor schade die is veroorzaakt door een vorm van overlast die zich op andere in de nabijheid van de Betuweroute gelegen percelen ook zonder onteigening zal voordoen, maar dat doet er niet aan af dat de overlast op het overblijvende als onteigeningsgevolg moet worden aangemerkt, zodat de daardoor teweeg gebrachte waardevermindering ingevolge artikel 41 van de Onteigeningswet ten volle behoort te worden vergoed. De omstandigheid dat de aan [verweerder] aldus toekomende schadeloosstelling mede omvat een vergoeding van schade die vergelijkbaar is met schade waarvoor eigenaren van andere in de nabijheid van de Betuweroute gelegen percelen waarvan niets is onteigend mogelijkerwijs ten titel van planschade of door een beroep te doen op de Regeling Nadeelcompensatie Betuweroute vergoeding zullen kunnen krijgen, maakt dit niet anders. Onderdeel A van het cassatiemiddel faalt derhalve.

3.3. Ook onderdeel B moet worden verworpen. De Rechtbank is tot een grotere waardevermindering (ƒ 81.725) van het overblijvende gekomen dan deskundigen in hun rapport (ƒ 75.000), omdat de Rechtbank aan het overblijvende een lagere waarde (ƒ 725.000) heeft toegekend dan deskundigen in hun rapport (ƒ 731.725). Niettemin heeft de Rechtbank bij dit oordeel deskundigen gevolgd, die immers tijdens de pleitzitting in zoverre in afwijking van hun rapport zijn uitgegaan van een waarde van het overblijvende van ƒ 725.000.

4. Beoordeling van het incidentele beroep

De klachten van het middel in het incidentele beroep kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale en in het incidentele beroep:

verwerpt het beroep, en

compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat elke partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, J.C. van Oven en C.J.J. van Maanen, en uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein ter openbare terechtzitting van 20 februari 2004.