Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AN7262

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-01-2004
Datum publicatie
22-01-2004
Zaaknummer
00584/03 P
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AN7262
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Schatting omvang wederrechtelijk verkregen voordeel mede gegrond op uit NFI-rapport overgenomen 22-gram norm als gemiddelde opbrengst per geoogste hennepplant. De verwerping van de stelling dat van een gemiddelde opbrengt van 5-10 gram dient te worden uitgegaan is toereikend gemotiveerd, nu de verdediging slechts een beroep heeft gedaan op een in een andere zaak uitgebracht rapport zonder aan te geven in hoeverre die zaak overeenkomt met de onderhavige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 29
NJ 2004, 240
JOW 2004, 9

Uitspraak

20 januari 2004

Strafkamer

nr. 00584/03 P

IV/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 7 november 2002, nummer 20/000396-02, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Arrondissementsrechtbank te Breda van 13 juni 2001 - de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 26.000,-, subsidiair 265 dagen hechtenis.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. G.A.C. Beckers, advocaat te Stein, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof bij de schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten onrechte voorbij is gegaan aan de door de verdediging aangetoonde gebreken die kleven aan de door het Hof gehanteerde uitgangspunten.

3.2. De aan het proces-verbaal van de terechtzitting gehechte pleitnota houdt, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang in:

"Opmerkingen m.b.t. de theoretische opbrengst van 22 gram

Omtrent de algemene toepasbaarheid van de "22 gram norm" heeft onlangs een debat in het NJB plaatsgevonden. (Zie 8 februari 2002, afl. 6, p. 268-269 en NJB 29 september 2002, afl.33. p. 1663-1666.) Ik benadruk op deze plaats dat de statisticus, dr. Sjerps, van het Nederlands Forensisch Instituut de door mij geuite kritiek op de "norm" vanuit statistisch erkent. Het betreft hier een overall gemiddelde dat is gebaseerd op verschillende teeltmethoden (kasteelt en binnenteelt). De hoge opbrengsten van de kasteelt vertekenen het beeld.

Ter toelichting korte bespreking van de bij de pleitnota gevoegde bijlagen ("zaak Zutphen").

(...)

Naar mijn mening dient bij een theoretische berekening van de opbrengst te worden uitgegaan van een gemiddelde opbrengst van 5-10 gram per plant."

3.3. Het Hof heeft in zijn arrest - voorzover hier van belang - het volgende overwogen:

"Bij de schatting van het middels deze oogst verkregen voordeel is het hof uitgegaan van een aantal uitgangspunten, te weten:

- de conclusie van het Gerechtelijk Laboratorium (tegenwoordig NFI geheten), vastgelegd in zijn rapport van 16 maart 1995, onder meer inhoudende dat een hennepplant na te zijn geoogst gemiddeld 22 gram hennep oplevert;

- de zogenaamde CRI-richtlijnen, onder meer inhoudende dat een gram hennep na verkoop gemiddeld fl. 5,- opbrengt.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat in casu als uitgangspunt heeft te gelden, "de gemiddelde opbrengst na oogsten" van de hennepplant (22 gram) en niet "de minimaal te verwachten opbrengst" per plant, nu op geen enkele wijze door de verdediging aannemelijk is gemaakt dat in casu de opbrengst minder dan gemiddeld was."

3.4. In de bestreden uitspraak heeft het Hof de stelling van de betrokkene, dat bij een theoretische berekening van de opbrengst dient te worden uitgegaan van een gemiddelde opbrengst van 5-10 gram per plant, verworpen. Die verwerping is in het licht van hetgeen door en namens de betrokkene is aangevoerd, toereikend gemotiveerd. De betrokkene heeft immers blijkens hetgeen hiervoor onder 3.2 is weergegeven, slechts een beroep gedaan op een in een andere zaak uitgebracht rapport zonder aan te geven of en zo ja in hoeverre de bijzonderheden van die zaak overeenkomsten vertoonden met de bijzonderheden van de onderhavige zaak.

3.5. Het middel faalt.

4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

Ingevolge de art. V en VI van de Wet van 8 mei 2003 tot wijziging en aanvulling van een aantal bepalingen in het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten met betrekking tot de ont-neming van wederrechtelijk verkregen voordeel (Stb. 2003, 202) is op de onderhavige zaak art. 577c Sv van toepassing. De Hoge Raad zal daarom de bestreden uitspraak vernietigen voorzover daarbij vervangende hechtenis is opgelegd (vgl. HR 7 oktober 2003, LJN AF9473).

5. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend voorzover daarbij vervangende hechtenis is opgelegd;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, J.P. Balkema, B.C. de Savornin Lohman en J.W. Ilsink, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 20 januari 2004.