Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AM2315

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-01-2004
Datum publicatie
16-01-2004
Zaaknummer
C02/203HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AM2315
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

16 januari 2004 Eerste Kamer Nr. C02/203HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [eiser], h.o.d.n. Badalorco, wonende te [woonplaats], Egypte, EISER tot cassatie, advocaat: aanvankelijk mr. M.H. van der Woude, thans mr. J. van Duijvendijk- Brand, t e g e n ATLANTA HOOGEZAND B.V., gevestigd te Hoogezand-Sappemeer, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. M.J. Schenck. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 150
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 16
NJ 2004, 164
RvdW 2004, 17
JWB 2004/18
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 januari 2004

Eerste Kamer

Nr. C02/203HR

JMH/AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiser], h.o.d.n. [A], wonende te [woonplaats], Egypte,

EISER tot cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. M.H. van der Woude, thans mr. J. van Duijvendijk- Brand,

t e g e n

ATLANTA HOOGEZAND B.V., gevestigd te Hoogezand-Sappemeer,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. M.J. Schenck.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 10 december 1997 verweerster in cassatie - verder te noemen: Atlanta - gedagvaard voor de rechtbank te Groningen en gevorderd Atlanta te veroordelen tot betaling van de door [eiser] geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

Atlanta heeft vervolgens bij incidentele conclusie houdende beroep op onbevoegdheid geconcludeerd tot onbevoegdheid van de rechtbank.

[Eiser] heeft bij incidentele conclusie van antwoord geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van Atlanta in haar incidentele vordering, althans tot ontzegging van deze vordering aan haar.

Na een tussenvonnis van 29 juli 1998 heeft de rechtbank bij vonnis van 13 november 1998 in het incident de vordering afgewezen, zich bevoegd verklaard van het onderhavige geschil kennis te nemen en in de hoofdzaak de zaak naar de rol van 4 december 1998 verwezen voor conclusie van antwoord.

Atlanta heeft de vordering bestreden.

Bij conclusie van repliek heeft [eiser] zijn eis gewijzigd en gevorderd:

1. te verklaren voor recht dat Atlanta toerekenbaar tekort is geschoten in haar verplichtingen jegens [eiser], althans onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld;

2. Atlanta te veroordelen tot betaling van de door [eiser] als gevolg van het toerekenbaar tekortschieten dan wel onrechtmatig handelen van Atlanta geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

De rechtbank heeft bij vonnis van 24 september 1999 het gevorderde afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden.

Bij tussenarrest van 20 december 2000 heeft het hof aan [eiser] opgedragen te bewijzen feiten of omstandigheden waaruit volgt:

a. dat tussen partijen een exclusieve distributie-overeenkomst gold, waarbij [eiser] het exclusieve recht had om in Egypte door Atlanta B.V. geleverde producten (met name hangmappen) op de markt te brengen en te verkopen;

b. dat deze overeenkomst in de periode 1987-1993 een sluimerend bestaan leidde, en dat partijen, toen de Egyptische wetgeving dat weer toeliet, weer zaken zijn gaan doen op basis van de oorspronkelijke exclusieve distributieovereenkomst.

Na enquête en contra-enquête heeft het hof bij eindarrest van 27 maart 2002 het vonnis van de rechtbank van 24 september 1999 bekrachtigd.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof van 20 december 2000 en 27 maart 2002 heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Atlanta heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van de arresten van het gerechtshof te Leeuwarden van 20 december 2000 en 27 maart 2002 en tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen hebben op 1 januari 1979 een agentuurovereenkomst gesloten. Zij hebben die overeenkomst niet naar de letter uitgevoerd. [Eiser] heeft producten (vooral hangmappen) van Atlanta gekocht en deze vervolgens in Egypte verkocht. Hij handelde daarbij in eigen naam en voor eigen rekening en risico.

(ii) Partijen hebben op 19 oktober 1987 een licentie-overeenkomst gesloten, nadat bij een wetswijziging in Egypte een verbod was ingevoerd om gereed product te importeren.

(iii) Bij faxbericht van 12 maart 1995 heeft [eiser] bij Atlanta een order geplaatst. Atlanta heeft deze order geweigerd.

(iv) Partijen zijn het erover eens dat Nederlands recht van toepassing is.

3.2 Aan zijn onder 1 vermelde vorderingen heeft [eiser], voor zover in cassatie van belang, het volgende ten grondslag gelegd. Op 1 januari 1979 hebben partijen een overeenkomst gesloten, waarin [eiser], letterlijk genomen, werd aangesteld als exclusief agent voor de producten van Atlanta in Egypte. In werkelijkheid was echter sprake van een exclusieve distributieovereenkomst. Die distributie-overeenkomst is nooit geëindigd, maar is steeds blijven bestaan tussen partijen. In de periode 1987 - 1993, gedurende welke het in Egypte verboden was kant en klare producten te importeren, heeft deze overeenkomst een sluimerend bestaan geleid. Atlanta, aldus [eiser], acht zich ten onrechte niet langer gebonden aan de overeenkomst en schiet toerekenbaar tekort in haar verplichtingen jegens [eiser] uit hoofde van deze overeenkomst, onder meer door de hiervóór in 3.1 onder (iv) geplaatste order te weigeren.

Door Atlanta is primair als verweer aangevoerd dat tussen partijen geen sprake is geweest van een exclusieve distributieovereenkomst en subsidiair dat de overeenkomst tussen partijen is beëindigd.

De rechtbank, van oordeel dat partijen geen exclusieve distributieovereenkomst zijn overeengekomen, doch dat partijen na de agentuurovereenkomst nadere (losse) overeenkomsten zijn aangegaan, heeft de vorderingen afgewezen.

Het hof heeft in zijn tussenarrest [eiser] opgedragen te bewijzen feiten of omstandigheden waaruit volgt a) dat tussen partijen een exclusieve distributie-overeenkomst gold, waarbij [eiser] het exclusieve recht had om in Egypte door Atlanta geleverde producten (met name hangmappen) op de markt te brengen en te verkopen (bewijsthema a) en b) dat deze overeenkomst in de periode 1987 - 1993 een sluimerend bestaan leidde, en dat partijen, toen de Egyptische wetgeving dat weer toeliet, weer zaken zijn gaan doen op basis van de oorspronkelijke exclusieve distributieovereenkomst (bewijsthema b).

In zijn eindarrest heeft het hof geoordeeld dat [eiser] geslaagd is in het bewijs van bewijsthema a, maar niet erin is geslaagd bewijsthema b te bewijzen. Het hof heeft vervolgens het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

3.3 Onderdeel 1a klaagt dat het hof heeft miskend dat, waar Atlanta niet voldaan heeft aan haar stelplicht, het verweer van Atlanta dat de distributieovereenkomst met het aangaan van de licentieovereenkomst op 19 oktober 1987, althans tezelfdertijd, tot een einde is gekomen, niet voor honorering in aanmerking kwam.

Het onderdeel faalt. Het hof heeft de stellingen van Atlanta, zoals geciteerd in het onderdeel, kennelijk en niet onbegrijpelijk, aldus opgevat dat zij zich op het standpunt stelde dat de overeenkomst van 1 januari 1979 stilzwijgend en met wederzijds goedvinden is beëindigd.

3.4.1 Onderdeel 1b houdt allereerst de klacht in dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de bewijslast ten aanzien van het voortduren van de distributieovereenkomst op [eiser] rust.

3.4.2 [Eiser] heeft aan zijn vorderingen het bestaan van een exclusieve distributieovereenkomst tussen hem en Atlanta ten grondslag gelegd. Nu Atlanta het bestaan van deze overeenkomst gemotiveerd heeft betwist, brengt de hoofdregel van art. 177 (oud) Rv. - thans art. 150 Rv. - mee dat op [eiser] de bewijslast rust van zijn stelling dat sprake was van een exclusieve distributie-overeenkomst. Nu Atlanta zich ter bevrijding van haar aansprakelijkheid subsidiair erop beroept dat die overeenkomst inmiddels was beëindigd, rust, voor het geval [eiser] erin slaagt te bewijzen dat sprake was van een exclusieve distributieovereenkomst, op Atlanta ingevolge diezelfde hoofdregel de bewijslast van haar stelling dat die overeenkomst inmiddels beëindigd was. De klacht is dus gegrond. De overige klachten van het onderdeel behoeven geen behandeling.

3.5 Voor zover uit rov. 3 van het eindarrest zou moeten worden afgeleid dat het hof bij het opdragen in zijn tussenarrest aan [eiser] van bewijs van bewijsthema b zou zijn uitgegaan van een (vuist)regel inhoudende dat, indien partijen bij een duurovereenkomst - in dit geval: een exclusieve distributieovereenkomst -, waarvan de uitvoering door nieuwe wetgeving wordt verboden, een duurovereenkomst met een andere inhoud aangaan - in dit geval: een licentieovereenkomst - die onder de bewuste wetgeving wèl is toegestaan, zij daarmee in beginsel moeten worden geacht een einde te hebben gemaakt aan de eerstvermelde duurovereenkomst, klaagt onderdeel 1c terecht dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien een dergelijke (vuist)regel niet bestaat. Voor zover onderdeel 1i op onderdeel c voortbouwt, slaagt het eveneens. Voor het overige behoeft het geen behandeling.

3.6 Onderdeel 1d gaat uit van een verkeerde lezing van het tussenarrest van het hof en kan derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Het op onderdeel 1d voortbouwende onderdeel 1e is derhalve eveneens tevergeefs voorgesteld.

3.7.1 In rov. 3 van zijn eindarrest heeft het hof onder meer geoordeeld dat, nu in 1986 een beletsel tot nakoming van de distributieovereenkomst bestond uit kracht van de Egyptische wetgeving waarvan gesteld noch gebleken is dat partijen van de aanvang op de hoogte waren of redelijkerwijs konden voorzien dat deze wetgeving na verloop van een aantal jaren zou komen te vervallen, naar het in 1986 geldende toepasselijke recht tot uitgangspunt moet worden genomen dat aan de prestatieplicht over en weer in 1986 van rechtswege een einde is gekomen en dat partijen van de aan die plichten ten grondslag liggende overeenkomst zijn bevrijd.

3.7.2 Indien voormeld oordeel van het hof juist zou zijn, heeft het hof terecht [eiser] belast met het bewijs van bewijsthema b. Voormeld oordeel is evenwel onjuist. Naar in cassatie onbestreden is, is de wetswijziging waarbij in Egypte een verbod werd ingevoerd om gereed product te importeren, slechts van kracht geweest in de periode 1986 - 1993. Nadien was het weer mogelijk gereed product in te voeren. Dat partijen bij de invoering van het wettelijke invoerverbod niet ervan op de hoogte waren of redelijkerwijs niet konden voorzien dat deze wetgeving na verloop van een aantal jaren zou komen te vervallen, doet niet eraan af dat het invoerverbod in beginsel een belemmering van tijdelijke, zij het mogelijk langdurige aard was, zoals klaarblijkelijk ook het hof heeft aangenomen. Anders dan het hof heeft geoordeeld werden bij de invoering van een dergelijke maatregel naar het vóór 1 januari 1992 geldende recht, de verplichtingen uit de daardoor getroffen overeenkomst in beginsel slechts geschorst voor de duur van het invoerverbod. Zolang de Egyptische wetgeving aan nakoming door partijen van hun verplichtingen uit de distributieovereenkomst in de weg stond, was de nakoming van die verplichtingen derhalve niet afdwingbaar. Toen de Egyptische wetgeving die nakoming weer toeliet, waren partijen in beginsel gehouden hun verplichtingen uit die overeenkomst weer na te komen. Wel konden bijzondere omstandigheden meebrengen dat na afloop van de tijdelijke overmachtsituatie een overeenkomst met toepassing van art. 1374 lid 3 (oud) BW werd aangepast, maar daaromtrent is door het hof niets vastgesteld, terwijl het hof ook overigens geen (bijzondere) omstandigheden heeft vastgesteld op grond waarvan het hof niettemin aan [eiser] bewijs van bewijsthema b mocht opdragen.

3.7.3 Het in 3.7.2 overwogene leidt tot de slotsom dat onderdeel 2, dat zich keert tegen het hiervóór in 3.7.1 vermelde oordeel van het hof, gegrond is.

3.8 Het slagen van de onderdelen 1b, c, i (gedeeltelijk) en 2 brengt mee dat het tussenarrest van het hof moet worden vernietigd. Het daarop voortbouwende eindarrest moet dus ook worden vernietigd, zodat de tegen dat eindarrest gerichte onderdelen 1f, g, h en j geen behandeling behoeven.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de arresten van het gerechtshof te Leeuwarden van 20 december 2000 en 27 maart 2002;

verwijst het geding naar het gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt Atlanta in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 388,74 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, D.H. Beukenhorst, O. de Savornin Lohman en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 16 januari 2004.