Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AM0242

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-01-2004
Datum publicatie
23-01-2004
Zaaknummer
38653
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AM0242
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2002:AE5545
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Nr. 38.653 23 januari 2004 EC gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 12 juni 2002, nr. 98/02279, betreffende zijn bezwaar tegen na te melden op aangifte voldaan bedrag aan kapitaalsbelasting. 1. Aangifte, bezwaar en geding voor het Hof...

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:7, geldigheid: 2004-01-23
Algemene wet bestuursrecht 6:11, geldigheid: 2004-01-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2004/99 met annotatie van R.M.P.G.N.-C
NTFR 2004, 118 met annotatie van Kors
FutD 2004-0140
AB 2004, 258
PW 2004, 21721
BNB 2004/118
Belastingadvies 2004/3.3
WFR 2004/154
FED 2004/62
FED 2004/182
V-N 2004/9.3

Uitspraak

Nr. 38.653

23 januari 2004

EC

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 12 juni 2002, nr. 98/02279, betreffende zijn bezwaar tegen na te melden op aangifte voldaan bedrag aan kapitaalsbelasting.

1. Aangifte, bezwaar en geding voor het Hof

Belanghebbende heeft op 20 oktober 1993 op aangifte voldaan een bedrag van f 62.538,19 aan kapitaalsbelasting. In het door hem tegen dit bedrag gemaakte bezwaar is belanghebbende door de Inspecteur niet-ontvankelijk verklaard.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiƫn heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 18 september 2003 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende is een beursgenoteerde beleggingsinstelling. Hij koopt en verkoopt participaties in zichzelf met als doel de koers van die participaties binnen een zekere bandbreedte te houden. De handel in die participaties wordt giraal verwerkt. In belanghebbendes boekhouding wordt het saldo van de gekochte en verkochte participaties gesaldeerd met het eigen vermogen.

Bij de onderhavige aangifte heeft belanghebbende aangifte voor de kapitaalsbelasting gedaan ter zake van de herplaatsing in de periode 27 mei 1993 tot en met 8 september 1993 van door hem ingekochte participaties. In de aangifte is de maatstaf van heffing berekend op het verschil tussen het aantal in die periode verkochte participaties en het aantal in de voorafgaande periode per saldo ingekochte participaties tegen de koers waarvoor de desbetreffende participaties in het aangiftetijdvak zijn verkocht.

Bij brief van 1 december 1997 heeft belanghebbende verzocht om teruggave van het op zijn aangifte van 20 oktober 1993 voldane bedrag. Dit verzoek is door de Inspecteur afgewezen, waarna belanghebbende op 26 februari 1998 bezwaar heeft gemaakt tegen het op de aangifte van 20 oktober 1993 voldane bedrag. De Inspecteur heeft belanghebbende in dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de voor het maken van bezwaar gestelde termijn.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende zich voor zijn stelling dat op grond van het gemeenschapsrecht hem de overschrijding van de voor het maken van bezwaar gestelde termijn niet kan worden tegengeworpen, niet met vrucht kan beroepen op rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de wettelijke termijn van zes weken redelijk is, in die zin dat daardoor de uitoefening van op het gemeenschapsrecht gebaseerde vorderingen niet praktisch onmogelijk wordt gemaakt.

3.3. In het middel wordt betoogd dat belanghebbende de onderhavige belasting heeft voldaan in overeenstemming met het gestelde in een resolutie van de Belastingdienst, en dat het maken van bezwaar, gebaseerd op een andere zienswijze dan die welke door de belastingdienst was neergelegd in voormelde resolutie, bij voorbaat kansloos was, terwijl belanghebbende zich door anders te handelen dan hij heeft gedaan, zou hebben blootgesteld aan het risico dat hem een boete werd opgelegd. Volgens het middel kon derhalve van belanghebbende destijds niet worden gevergd dat hij bezwaar zou hebben aangetekend.

3.4. Voorzover het middel voor deze gedachtegang een beroep doet op het arrest van het Hof van Justitie van 8 maart 2001 in de gevoegde zaken Metallgesellschaft Ltd e.a. (C-397/98) Hoechst AG en Hoechst (UK) Ltd (C-410/98) faalt het. In die zaken, voorzover hier van belang, werd door het Hof van Justitie de deugdelijkheid onderzocht van een argument - een verweer van de overheid dat niet was verzocht om toepassing van een bepaalde belastingfaciliteit - dat niet berustte op een nationale bepaling inzake verjarings- of vervaltermijnen (zie de punten 100 en 101 van voormeld arrest). Het middel faalt ook voor het overige. De omstandigheid dat de belastingdienst blijkens een resolutie van de Staatssecretaris een bepaalde toepassing van de belastingwet voorstaat of goedkeurt, laat de belastingplichtige vrij zich een eigen oordeel te vormen omtrent de juist te achten wetstoepassing of omtrent de verenigbaarheid van de heffing van de betrokken belasting met een richtlijn van de Europese Gemeenschap, en zich door dat oordeel te laten leiden. Indien de belastingplichtige tot de conclusie komt dat op grond van de richtlijn de voldoening van belasting in zijn geval niet kan worden gevergd, kan hij op gelijke wijze als mogelijk is bij het ontkennen of betwisten op een niet aan het gemeenschapsrecht ontleende grond van een verplichting belasting te betalen, een meningsverschil met de belastingdienst te dier zake aan de rechter voorleggen. De noodzaak daartoe eerst een bezwaarschrift in te dienen bij het betrokken bestuursorgaan, maakt onderdeel uit van de uniforme procedure die in Nederland geldt voor het inroepen van rechtsbescherming in belastingzaken. Een effectieve toegang tot de rechter wordt daardoor niet wezenlijk belemmerd. De omstandigheid dat in een voorkomend geval degene die voor de vraag staat of hij al dan niet van een bestuursrechterlijke rechtsgang gebruik zal maken, reden heeft aan te nemen dat het betrokken bestuursorgaan een ingenomen standpunt niet zal verlaten, vormt geen verzwarende omstandigheid als het gaat om de mogelijkheid zich bij het indienen van een bezwaarschrift te houden aan de daarvoor gestelde wettelijke termijn.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2004.