Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AL8446

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-02-2004
Datum publicatie
10-02-2004
Zaaknummer
02388/02
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AL8446
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Pv eigen waarneming opsporingsambtenaar als enig bewijs. (a) Voorbedoeld pv dient te worden aangemerkt als getuigenverklaring ex art. 6 EVRM. (b) De verdachte heeft het recht de betreffende opsporingsambtenaar te (doen) ondervragen, zij het dat van hem daartoe het nodige initiatief mag worden verwacht. (c) Uit art. 344 lid 2 Sv volgt dat de wetgever een bijzonder vertrouwen heeft gesteld in de betrouwbaarheid van zo'n pv.

Een verzoek tot het horen van de opsporingsambtenaar dient in het licht van a, b en c behoorlijk te worden gemotiveerd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 315
Wetboek van Strafvordering 344
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2004, 86
NJ 2004, 452 met annotatie van G. Knigge
NBSTRAF 2004/85
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 februari 2004

Strafkamer

nr. 02388/02

PB/DAT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 26 september 2002, nummer 21/001456-02, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959, wonende te [woonplaats] (O).

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank te Almelo, locatie Enschede, van 4 februari 2002 - de verdachte ter zake van 1. en 2. telkens opleverende "overtreding van het bepaalde bij artikel 2.4.17 aanhef en onder a van de Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Hengelo (O)" veroordeeld tot tweemaal een boete van telkens veertig euro subsidiair telkens één dag hechtenis.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. D.V.A. Brouwer en mr. M.J.A. Duker, beiden advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De conclusie is aan dit arrest gehecht.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In de middelen wordt geklaagd over de motivering van de bewezenverklaring alsmede over de motivering van een beslissing strekkende tot het afwijzen van een verzoek om een getuige op te roepen.

3.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:

"1. op 15 december 2000 in de gemeente Hengelo (O) als eigenaar of houder van een hond, deze hond heeft laten verblijven of heeft laten lopen binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat deze hond was aangelijnd, immers liep deze hond onaangelijnd op de Breemaarsweg ter plaatse gelegen binnen de bebouwde kom van de gemeente Hengelo (O);

2. op 15 februari 2001 in de gemeente Hengelo (O) als eigenaar of houder van een hond, deze hond heeft laten verblijven of heeft laten lopen binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat deze hond was aangelijnd, immers liep deze hond onaangelijnd op de Christiaan Huygenslaan ter plaatse gelegen binnen de bebouwde kom van de gemeente Hengelo (O)."

3.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal ("kennisgeving van bekeuring"), nummer 151200.1441.00787, op 15 december 2000 op ambtsbelofte opgemaakt door "ambtenaar 787", onder meer inhoudende:

"- dag/maand/jaar: 15.12.00

- tijdstip: 14.41

- verbalisantnummer: 787

- plaats: de voor het openbaar verkeer openstaande weg Breemarsweg te Hengelo, gemeente Hengelo

- als relaas van de verbalisant: Ik, ambtenaar, constateerde dat op genoemde datum, tijdstip en plaats door betrokkene/verdachte de volgende gedraging werd verricht: loslopende hond, art 2.4.17 onder A Apv. Gem. Hengelo.

De betrokkene gaf daarnaar gevraagd, op:

- naam: [verdachte]

- voornamen: [...]

- voorvoegsel: [...]

- geboorteplaats: [...]

- geboortedatum: [...]

- adres: [a-straat 1]

- postcode: [...]

- woonplaats: [...]."

b. een niet-ondertekend maar overigens in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal nr. 15.12.2000.1441.0787, opgemaakt op 23 april 2001 door R. Nijboer, buitengewoon opsporingsambtenaar van politie, onder meer inhoudende zakelijk weergegeven als relaas van verbalisant:

"Ik, verbalisant zag/constateerde, dat een persoon als eigenaar of houder van een hond, deze heeft laten verblijven of lopen op een weg gelegen binnen de bebouwde kom zonder dat de hond was aangelijnd.

Overtredingsgegevens:

Datum: 15 december 2000

Omstreeks: 14.41 uur

Plaats: Hengelo

Gemeente: Hengelo (0)

Locatie: Breemarsweg, een voor het openbaar verkeer openstaande weg binnen een als zodanig aangeduide bebouwde kom

Verdachte werd staande gehouden en verstrekte mij, daarnaar gevraagd, de volgende persoonsgegevens:

Naam: [verdachte]

Voorvoegsels: [...]

Voorletters: [...]

Voornamen: [...]

Geboorteplaats: [...](O)

Geboortedatum: [...]

Straatnaam: [a-straat 1]

Postcode/Woonplaats: [...]."

c. een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal ("kennisgeving van bekeuring"), nummer 150201.1003.00787, op 15 februari 2001 op ambtsbelofte opgemaakt door "ambtenaar 787", onder meer inhoudende:

"- dag/maand/jaar: 15.02.01

- tijdstip: 10.03

- verbalisantnummer: 787

- plaats:de voor het openbaar verkeer openstaande weg Christiaan Huygenslaan te Hengelo, gemeente Hengelo

- als relaas van de verbalisant: Ik, ambtenaar, constateerde dat op genoemde datum, tijdstip en plaats door betrokkene/verdachte de volgende gedraging werd verricht: loslopende hond, art 2.4.17 onder A APV. Gemeente Hengelo. De betrokkene gaf daarnaar gevraagd, op:

- naam: [verdachte]

- voornamen: [...]

- voorvoegsel: [...]

- geboorteplaats: [...]

- geboortedatum: [...]

- adres: [a-straat 1]

-postcode: [...]

- woonplaats: [...]."

d. een niet-ondertekend maar overigens in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, nummer 15.02.2001.1003.0787, opgemaakt op 23 april 2001 door R. Nijboer, buitengewoon opsporingsambtenaar van politie, onder meer inhoudende zakelijk weergegeven als relaas van verbalisant:

"Ik, verbalisant zag/constateerde, dat een persoon als eigenaar of houder van een hond, deze heeft laten verblijven of lopen op een weg gelegen binnen de bebouwde kom zonder dat de hond was aangelijnd.

Overtredingsgegevens:

Datum: 15 februari 2001

Omstreeks: 10.03 uur

Plaats: Hengelo

Gemeente: Hengelo (0)

Locatie: Christiaan Huygenslaan, een voor het openbaar verkeer openstaande weg binnen een als zodanig aangeduide bebouwde kom.

Verdachte werd staande gehouden en verstrekte mij, daarnaar gevraagd, de volgende persoonsgegevens:

Naam: [verdachte]

Voorvoegsels: [...]

Voorletters: [...]

Voornamen: [...]

Geboorteplaats: [...](O)

Geboortedatum: [...]

Straatnaam: [a-straat 1]

Postcode/woonplaats: [...]."

3.3. Het eerste middel steunt op de opvatting dat het hiervoor onder 3.2.2 sub a onderscheidenlijk sub c vermelde proces-verbaal moet worden aangemerkt als een in art. 344, derde lid (oud), Sv bedoeld schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt. Het middel faalt op de gronden als weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6 tot en met 8.

3.4. Het tweede middel steunt op de opvatting dat een door een opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal als bedoeld in art. 344, eerste lid onder 2°, Sv, voorzover inhoudende diens relaas van door hemzelf waargenomen of ondervonden feiten of omstandigheden, niet bruikbaar is voor het bewijs indien de verdachte in geen enkel stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad die opsporingsambtenaar te (doen) ondervragen tenzij de inhoud ervan in voldoende mate steun vindt in ander bewijsmateriaal.

3.5. Bij de beoordeling van dit middel moet worden vooropgesteld:

a. dat ingevolge de autonome betekenis welke toekomt aan de term "witnesses/témoins" in art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM, een in een ambtsedig proces-verbaal vervatte mededeling van een opsporingsambtenaar van door hem persoonlijk waargenomen feiten of omstandigheden die de verdachte belasten, in het perspectief van het EVRM dient te worden aangemerkt als een verklaring van een getuige als aldaar bedoeld;

b. dat - gelet op art. 6, eerste lid en derde lid aanhef en onder d, EVRM - de verdachte het recht heeft een dergelijke verklaring op haar betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten door de desbetreffende opsporingsambtenaar als getuige te (doen) ondervragen, zij het dat van hem daartoe het nodige initiatief mag worden verwacht;

c. dat uit art. 344, tweede lid, Sv volgt dat de wetgever een bijzonder vertrouwen heeft gesteld in de betrouwbaarheid van een dergelijk proces-verbaal.

3.6. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt als verklaring van de Advocaat-Generaal in dat het schriftelijk verzoek van de verdachte om de verbalisant als getuige te horen niet tijdig is ingekomen. Voorts behelst het, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang als verklaring van de verdachte slechts:

"Ik heb in eerste aanleg al gewezen op de gang van zaken. Ik heb dat ook aangekaart bij de korpsbeheerder. Het is van essentieel belang dat de verbalisant als getuige ter terechtzitting wordt gehoord. Ik heb de Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Hengelo (O) niet overtreden."

Het Hof heeft vervolgens beslist dat het het niet noodzakelijk acht de verbalisant als getuige te horen.

3.7. In het licht van hetgeen hiervoor onder 3.5 is overwogen mag van een verdachte die de betrouwbaarheid wenst te toetsen en/of aan te vechten van een in een proces-verbaal van politie opgenomen verklaring van een verbalisant omtrent hetgeen deze zelf heeft waargenomen en ondervonden, worden gevergd niet alleen dat hij tijdig gebruik maakt van de mogelijkheden die de wet hem biedt tot het (doen) ondervragen van de desbetreffende opsporingsambtenaar, maar ook dat hij zijn daartoe strekkend verzoek behoorlijk motiveert. Aan dit laatste is hier niet voldaan. Nu het desbetreffende verzoek ter terechtzitting is gedaan, heeft het Hof bij de beoordeling daarvan de juiste maatstaf toegepast, terwijl zijn oordeel niet onbegrijpelijk is.

3.8. Uit het voorgaande vloeit voort dat de middelen tevergeefs zijn voorgesteld.

4. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 10 februari 2004.