Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AH9003

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-10-2004
Datum publicatie
22-10-2004
Zaaknummer
38464
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AH9003
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2002:AE3353
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Artikel 42b, lid 5, Wet IB, geldlening die niet onmiddellijk wordt aangewend voor verbetering of onderhoud eigen woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PW 2005, 21857
BNB 2005/136 met annotatie van R.F.C. SPEK
FED 2005/18
FED 2004/601
Belastingadvies 2004/22.4
WFR 2004/1630
V-N 2004/55.17 met annotatie van Redactie
FutD 2004-1933 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 38.464

22 oktober 2004

AZ

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 8 mei 2002, nr. P01/01293, betreffende na te melden aan X te Z opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 56.022, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 54.572. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal Th. Groeneveld heeft op 17 april 2003 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep.

Zowel de Staatssecretaris als belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van 's Hofs uitspraak naar aanleiding van het middel en ambtshalve

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende heeft in 1997 een hypothecaire geldlening ten bedrage van ƒ 170.000 afgesloten. Na aflossing van een eerder afgesloten geldlening en na aftrek van diverse kosten resteerde een bedrag van ƒ 46.080. Van dit bedrag is ƒ 45.000 overgemaakt naar een Roparco Renterekening van belanghebbende en zijn echtgenote en het restant naar hun girorekening bij de Postbank. In de jaren 1997 tot en met 2001 heeft belanghebbende ten minste een bedrag van ƒ 46.080, waarvan ƒ 23.000 in 1997 en 1998, uitgegeven aan verbetering en onderhoud van de eigen woning. Deze uitgaven zijn gedaan van andere rekeningen dan genoemde renterekening. In 1997 en 1998 hebben belanghebbende en zijn echtgenote in totaal ƒ 19.500 overgemaakt van hun Roparco Renterekening naar de rekeningen waarvan zij betalingen van kosten van verbetering en onderhoud van de woning hebben verricht.

3.2. Voor het Hof was in geschil of de in 1997 afgesloten hypothecaire geldlening tot het hiervoor vermelde bedrag van ƒ 46.080 kan worden aangemerkt als een schuld welke is aangegaan voor verbetering of onderhoud van de eigen woning van belanghebbende, als bedoeld in artikel 42b, lid 5, laatste volzin, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet), zodat de rente daarvan voor de toepassing van artikel 42b, lid 2, aanhef en letter d, van de Wet buiten beschouwing blijft. Het Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord. Daartegen keert zich het middel.

3.3. De hiervoor vermelde laatste volzin van artikel 42b, lid 5, van de Wet noemt twee vereisten waaraan moet zijn voldaan willen schulden die niet zijn aangegaan ter verwerving van een eigen woning, toch als zodanig worden behandeld: het moet gaan om schulden die zijn aangegaan voor verbetering of onderhoud van een eigen woning, en zij worden slechts mede gerekend tot de schulden welke zijn aangegaan ter verwerving van een eigen woning voorzover de verbetering of het onderhoud met schriftelijke bescheiden zijn te staven.

3.4. Wat het eerste vereiste, het oogmerkvereiste, betreft, heeft het volgende te gelden. De enkele omstandigheid dat een belastingplichtige die een schuld is aangegaan voor verbetering of onderhoud van een eigen woning, het geleende geld niet onmiddellijk voor dat doel aanwendt, hoeft op zichzelf nog niet te betekenen dat aan het oogmerkvereiste niet langer wordt voldaan. Dat behoeft ook niet noodzakelijkerwijs het geval te zijn indien de betaling van kosten van verbetering of onderhoud geschiedt ten laste van een andere rekening dan die waarop de uit de geldlening verkregen gelden zijn gestort, zonder dat in onmiddellijke samenhang met de betaling het tegoed op de laatstbedoelde rekening afneemt. Het oogmerk de geleende gelden te besteden aan verbetering of onderhoud kan echter niet meer aanwezig worden geacht voorzover de uit de geldlening verkregen gelden zijn aangewend voor andere doeleinden en niet een daarmee overeenkomend bedrag liquide beschikbaar is gebleven.

3.5. Het stellen van het tweede vereiste, te weten dat de verbetering of het onderhoud met schriftelijke bescheiden is te staven, is, naar mag worden aangenomen, ingegeven door de wens om - nu bij geldleningen voor dit doel de omvang en het tijdstip van de uitgaven waarvoor de geldlening is aangegaan veelal minder eenvoudig zijn vast te stellen dan bij aankoop van een eigen woning - discussies daarover zoveel mogelijk te voorkomen. Daarom moet worden aangenomen dat een schuld welke is aangegaan voor verbetering of onderhoud van een eigen woning, pas wordt behandeld als schuld welke is aangegaan ter verwerving van die woning, voorzover en vanaf het moment waarop, naar met schriftelijke bescheiden is te staven, betaling ter zake van verbetering of onderhoud van de woning heeft plaatsgehad.

3.6. In het onderhavige geval heeft het Hof in onderdeel 5.2 van zijn uitspraak tot uitdrukking gebracht dat naar zijn oordeel het onderhavige deel van de hypothecaire geldlening - die in zoverre, naar in cassatie niet is bestreden, in 1997 is aangegaan met het oogmerk van verbetering of onderhoud van de eigen woning - bij belanghebbende liquide beschikbaar is gebleven tot het daadwerkelijk is aangewend voor uitgaven voor verbetering of onderhoud van de eigen woning. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Voorzover het middel dit oordeel bestrijdt, faalt het derhalve.

3.7. In hoeverre in het onderhavige jaar (1998) is voldaan aan het vereiste van, met schriftelijke bescheiden gestaafde, betaling ter zake van de verbetering of het onderhoud, is echter niet duidelijk. Het Hof heeft vastgesteld dat belanghebbende voor ten minste een bedrag van ƒ 46.080 uitgaven voor verbetering en onderhoud van de eigen woning heeft gedaan verspreid over de jaren 1997 tot en met 2001, en voor ƒ 23.000 in 1997 en 1998, maar niet in hoeverre en vanaf wanneer in 1998 is voldaan aan het evenbedoelde vereiste.

's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. Het middel behoeft voor het overige geen behandeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten, en

verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren G.J. Zuurmond, L. Monné, P.J. van Amersfoort en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2004.