Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2004:AF7511

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-09-2004
Datum publicatie
24-09-2004
Zaaknummer
36874
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AF7511
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2000:AA8459
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Rioolrecht, verhaal van kosten afvoer hemelwater.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 229
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2004/1717 met annotatie van J.A. MONSMA
Belastingblad 2004/1325
BNB 2004/399 met annotatie van G.J. van Leijenhorst
FED 2004/518
WFR 2004/1434
V-N 2004/52.21 met annotatie van Redactie
FutD 2004-1732
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 36.874

24 september 2004

MvA

gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. (voorheen: A B.V.) te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 9 november 2000, nr. 98/00634, betreffende na te melden aanslag in het rioolrecht van de gemeente Vught.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Voor het jaar 1996 is aan belanghebbende, gebruikster van de onroerende zaak a-straat 1 te Z, wegens het daaruit afvoeren van afvalwater op de gemeentelijke riolering, een aanslag in het rioolrecht van de gemeente Vught opgelegd ten bedrage van ƒ 48.949,48, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Chef van de afdeling Financieel Beleid en Belastingen van de gemeente Vught is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vught (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

Het College heeft een conclusie van dupliek ingediend.

De Advocaat-Generaal J.W. Ilsink heeft op 11 maart 2003 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Ingevolge de Verordening rioolrecht 1996 (hierna: de Verordening) van de gemeente Vught (hierna: de Gemeente) wordt een rioolrecht geheven van de gebruiker van een eigendom van waaruit afvalwater direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd. Het rioolrecht wordt geheven naar het aantal kubieke meters afvalwater dat vanuit het eigendom wordt afgevoerd. Het aantal kubieke meters afvalwater wordt gesteld op het aantal kubieke meters water dat in het belastingjaar van de N.V. Waterleidingmaatschappij R is afgenomen, dan wel het aantal kubieke meters water dat is opgepompt. Het recht bedraagt per kalenderjaar bij een afgevoerde hoeveelheid water tot en met 299 m3 ƒ 83,28; indien meer dan 299 m3 water wordt afgevoerd, wordt dat bedrag vermeerderd met ƒ 0,86 voor iedere kubieke meter water boven 299 m3. Het rioleringsstelsel van de Gemeente wordt mede gebezigd voor de afvoer van regenwater.

3.2. De eerste klacht bestrijdt 's Hofs verwerping van belanghebbendes stelling dat de Verordening onverbindend moet worden geacht omdat van de zijde van de Gemeente onvoldoende inzicht zou worden geboden in de hoogte van de lasten ter zake van de onderhavige rioolrechten. Deze klacht faalt op de gronden als vermeld in de onderdelen 3.1.1 en 3.1.2 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3.3. De tweede klacht is gericht tegen de oordelen van het Hof dat de Gemeente de grenzen van de haar toekomende verordenende bevoegdheid niet overschrijdt indien zij ook de kosten van de afvoer van regenwater verhaalt op de aanbieders van afvalwater naar rato van hun waterverbruik en zij niet gehouden was de kosten van afvoer van regenwater uit de raming van de kosten van de riolering te elimineren. Blijkens de toelichting ziet de klacht op het verhaal van de kosten van afvoer van hemelwater dat op eigendommen van de Gemeente valt (door belanghebbende aangeduid als "openbaar hemelwater"). De klacht faalt evenwel. De Gemeente mag door middel van rioolrechten de aan het gemeentelijke rioleringsstelsel verbonden lasten verhalen op diegenen die, vanwege een aansluiting op de gemeentelijke riolering, daarvan het gebruik en/of het genot hebben. De Gemeente is daarbij niet gehouden om, zo dit al praktisch uitvoerbaar zou zijn, uit de lasten van de gemeentelijke riolering de lasten van afvoer van "openbaar hemelwater" te elimineren. Daarbij is onverschillig of het regenwater geheel of gedeeltelijk wordt afgevoerd door middel van een afzonderlijk stelsel.

3.4. De derde en vierde klacht bestrijden 's Hofs oordeel dat bij de onderhavige "lineaire" tariefstelling geen sprake is van een willekeurige of onredelijke belastingheffing, respectievelijk van schending van het gelijkheidsbeginsel. Betoogd wordt dat de onderhavige tariefstelling ertoe leidt dat het tarief voor het verbruik boven de 299 m3 niet een vast, maar een - met terugrekening per kubieke meter - stijgend tarief is, terwijl een degressief tarief beter recht zou doen aan de kosten die gemoeid zijn met het gebruik van de riolering.

Naar aanleiding van deze klachten overweegt de Hoge Raad het volgende. Het rioolrecht wordt ingevolge artikel 5 van de Verordening geheven naar een evenredig tarief van ƒ 0,86 per m3 afgevoerd water, behoudens met betrekking tot de eerste 299 m3 afgevoerd water, waarvoor een vast tarief van ƒ 83,28 geldt. Een zodanig tarief voor rioolrechten, geheven van de gebruikers van eigendommen, is niet onredelijk of willekeurig, en is evenmin in strijd met het gelijkheidsbeginsel of het evenredigheidsbeginsel. Anders dan de klachten betogen, is er geen rechtsregel op grond waarvan het tarief gelijke tred zou moeten houden met de door de lozingen opgeroepen kosten. De derde en vierde klacht falen derhalve.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, A.R. Leemreis en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2004.