Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AO0660

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-12-2003
Datum publicatie
19-12-2003
Zaaknummer
414
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Nr. 414 19 december 2003 EC gewezen op het beroep in cassatie van X-1 te Z (Zwitserland) tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 mei 2002, nr. 01/1227 AOW e.a., betreffende onder meer na te melden besluit van het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: het Bestuur) ingevolge de Algemene Ouderdomswet (hierna: de AOW). 1. Besluit, bezwaar en geding voor de Rechtbank...

Wetsverwijzingen
Algemene Ouderdomswet 6
Algemene Ouderdomswet 55
Algemene Ouderdomswet 53
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2004, 75 met annotatie van Van Waaijen
WFR 2004/35
FED 2004/10
V-N 2004/4.19 met annotatie van Redactie
PJ 2004/130
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 414

19 december 2003

EC

gewezen op het beroep in cassatie van X-1 te Z (Zwitserland) tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 mei 2002, nr. 01/1227 AOW e.a., betreffende onder meer na te melden besluit van het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: het Bestuur) ingevolge de Algemene Ouderdomswet (hierna: de AOW).

1. Besluit, bezwaar en geding voor de Rechtbank

Bij besluit van 21 januari 2000 heeft het Bestuur het verzoek van X-1 (hierna: belanghebbende) om herziening van het eerder toegekende ouderdomspensioen ingevolge de AOW, afgewezen.

Het Bestuur heeft het tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen de beslissing op het bezwaar heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de rechtbank te Amsterdam (hierna: de Rechtbank).

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

2. Geding voor de Centrale Raad van Beroep

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

De Centrale Raad heeft de aangevallen uitspraak bevestigd. De uitspraak van de Centrale Raad is aan dit arrest gehecht.

3. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad beroep in cassatie ingesteld en daarbij enkele klachten aangevoerd. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het Bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. Nu deze conclusie bij de Hoge Raad na afloop van de daartoe gestelde termijn is ingediend, slaat de Hoge Raad op dit stuk geen acht.

4. Beoordeling van de klachten

4.1. Ingevolge artikel 53, lid 1, van de AOW kan beroep in cassatie worden ingesteld tegen uitspraken van de Centrale Raad ter zake van schending of verkeerde toepassing van de artikelen 1, derde tot en met zevende lid, 2, 3 en 6 van die wet en de op die artikelen berustende bepalingen.

4.2. Het onderhavige cassatieberoep betreft de toepassing van artikel 55, lid 1, AOW in verbinding met artikel 13, lid 1, letter a, AOW. Belanghebbende stelt dat hij op grond van eerstgenoemde bepaling geacht moet worden verzekerd te zijn geweest gedurende het tijdvak, gelegen tussen de voleindiging van zijn 15e levensjaar en het in werking treden van artikel 6 AOW, waarbij hij aanvoert dat de in de artikelen 55, lid 1, en 56 AOW neergelegde beperkingen hem op grond van tussen Nederland en Zwitserland gesloten verdragen niet kunnen worden tegengeworpen. In dit betoog ligt niet besloten dat sprake zou zijn van miskenning door de Centrale Raad van de werking van artikel 6 AOW, zoals die werking eventueel de invloed kan ondergaan van bepalingen van internationale verdragen. De klachten houden ook anderszins niet in dat sprake zou zijn van schending of verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens een der in artikel 53, lid 1, AOW genoemde artikelen. De klachten kunnen derhalve niet tot cassatie leiden.

5. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2003.