Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AN9566

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-12-2003
Datum publicatie
08-12-2003
Zaaknummer
39133
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Nr. 39.133 5 december 2003 Za gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 15 oktober 2002, nr. BK-01/00459, betreffende na te melden naheffingsaanslag in de parkeerbelasting.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar, beschikking en geding voor het Hof...

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:77
Gemeentewet 225
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2004/282
BNB 2004/88
WFR 2003/1996, 2
FED 2003/656
V-N 2003/61.5 met annotatie van Redactie
FutD 2003-2244
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 39.133

5 december 2003

Za

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 15 oktober 2002, nr. BK-01/00459, betreffende na te melden naheffingsaanslag in de parkeerbelasting.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar, beschikking en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is ter zake van het parkeren op 8 december 2000 te T een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Leiden opgelegd ten bedrage van ƒ 86, bestaande uit ƒ 4 aan belasting en ƒ 82 aan kosten ter zake van het opleggen van die aanslag.

De aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van het sectorhoofd Stadstoezicht van de gemeente Leiden gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij enkele klachten aangevoerd. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van de klachten

De eerste klacht slaagt voorzover daarin aan het Hof wordt verweten een bewijsaanbod van belanghebbende te hebben gepasseerd. Belanghebbende heeft in de brief van 27 december 2000 aan de Dienst Milieu en Beheer van de gemeente Leiden - welke brief, naar in de uitspraak op verzet terecht wordt overwogen, moet worden aangemerkt als een beroepschrift - met betrekking tot de door hem ingenomen stelling dat een geldig betalingsbewijs in zijn auto lag, vermeld: "Voorts waren er vier getuigen aanwezig die het bovenstaande kunnen bevestigen. Gaarne geef ik u de namen en adressen indien u dat wenst." Deze passage laat geen andere uitleg toe dan dat belanghebbende aldus aanbiedt deze stelling door getuigen te bewijzen. Uit 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding blijkt niet dat dit aanbod nadien is ingetrokken. Nu het Hof evenwel in zijn uitspraak omtrent het door belanghebbende gedane bewijsaanbod - dat voldoende gespecificeerd en voor de beslissing van de zaak ter zake dienend was - niets heeft vastgesteld, noch heeft overwogen dat en op welke grond het dit bewijsaanbod heeft gepasseerd, is die uitspraak op dit punt niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. De tweede klacht behoeft geen behandeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en

gelast dat de gemeente Leiden aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 82.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2003.