Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AN9564

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-12-2003
Datum publicatie
08-12-2003
Zaaknummer
38954
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2002:AF0971
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Nr. 38.954 5 december 2003 whk gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 22 oktober 2002, nr. 98/04130, betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof...

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 9
Wet op de omzetbelasting 1968
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 2087
FutD 2003-2242
BNB 2004/87
WFR 2003/1996, 1
FED 2003/655
V-N 2003/63.14 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 38.954

5 december 2003

whk

gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 22 oktober 2002, nr. 98/04130, betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1995 tot en met 31 december 1995 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 36.080, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft deze uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. Belanghebbende houdt zich onder meer bezig met de ontwikkeling, productie en verkoop van producten op het gebied van de gezondheidszorg, waaronder het product A. A bestaat uit minuscuul kleine bolletjes van polymethylmethacrylaat (hierna: PMMA) vermengd met een middel dat circa 3% rundercollageen bevat. PMMA is een synthetische stof welke door het menselijk immuunsysteem wordt getolereerd. Belanghebbende levert A aan zogeheten dealers, die het op hun beurt weer leveren aan artsen en aan ziekenhuizen, waar het door medisch specialisten, onder anderen dermatologen en plastisch chirurgen wordt aangewend. Indien A in het menselijk lichaam wordt gebracht, gaat het lichaam als tegenreactie bindweefsel aanmaken om de PMMA-bolletjes in te kapselen. Het collageen dient slechts als transportmiddel voor de PMMA-bolletjes en wordt na een periode van twee tot vier weken op natuurlijke wijze uit het lichaam afgevoerd. De inkapseling van de PMMA-bolletjes leidt tot een ophoging van het omringende weefsel. De PMMA-bolletjes blijven voor de rest van het leven op de desbetreffende plaats in het lichaam. A is geen collageen implantaat.

Belanghebbende is van mening dat A gerangschikt dient te worden onder chirurgische implanteringsprothesen als bedoeld in post a.35 van de bij de Wet op de omzetbelasting 1968 behorende Tabel I, en dat dus het verlaagde tarief van toepassing is. De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat bedoelde post toepassing mist en op grond daarvan de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd.

3.2. Het Hof heeft overwogen dat A verloren gegaan lichaamsweefsel of een verloren gegaan ander lichaamsdeel niet vervangt, doch dat het inbrengen van A slechts tot gevolg heeft dat het lichaam zelf bindweefsel aanmaakt, waardoor het effect wordt bereikt alsof verloren gegaan lichaamsweefsel of een verloren gegaan ander lichaamsdeel is vervangen. Hieruit heeft het Hof geconcludeerd dat A niet als prothese is aan te merken.

Voorzover de middelen dat oordeel bestrijden, falen zij, nu dit oordeel geen blijk geeft van een onjuiste opvatting met betrekking tot het begrip prothese bedoeld als element van het begrip chirurgische implanterings-prothese en het als verweven met waarderingen van feitelijke aard in cassatie voor het overige niet op zijn juistheid kan worden getoetst. Uitgaande van voormeld oordeel heeft het Hof, wat er zij van hetgeen het overigens heeft overwogen, met juistheid geoordeeld dat A niet is aan te merken als een chirurgische implanteringsprothese in de zin van post a.35 van Tabel 1.

Voorzover in de middelen wordt geklaagd dat het Hof de bewijslast onjuist heeft verdeeld door op belanghebbende de last te leggen aannemelijk te maken dat het gebruik van A in minder dan 80% van de gevallen cosmetisch van aard is, kunnen zij evenmin tot cassatie leiden nu het Hof de overweging over het cosmetisch gebruik ten overvloede heeft gegeven.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P. Lourens en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2003.