Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AN8255

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-12-2003
Datum publicatie
23-12-2003
Zaaknummer
01480/03
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AN8255
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Toepassing art. 279 Sv. Direct na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting is dat op verzoek van de gemachtigde raadsman ex art. 278 lid 4 Sv geschorst. Het hof is gelet op art. 280 lid 1 Sv noch toegekomen aan de vraag of de zaak bij verstek kon worden behandeld noch of het hof kon instemmen met verdediging door de raadsman. Hierop kon pas op de vervolgzitting worden beslist. Nu daar verdachte noch gemachtigde raadsman verscheen, is 's hofs oordeel dat verstek moest worden verleend juist.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 278, geldigheid: 2003-12-23
Wetboek van Strafvordering 278, geldigheid: 2003-12-23
Wetboek van Strafvordering 279, geldigheid: 2003-12-23
Wetboek van Strafvordering 279, geldigheid: 2003-12-23
Wetboek van Strafvordering 280, geldigheid: 2003-12-23
Wetboek van Strafvordering 280, geldigheid: 2003-12-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2004, 59
NBSTRAF 2004/59
JOL 2003, 706

Uitspraak

23 december 2003

Strafkamer

nr. 01480/03

EdK/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 14 februari 2003, nummer 21/000816-02, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Zwolle van 8 april 2002 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 1 tenlastegelegde en hem voorts ter zake van "wederspannigheid" veroordeeld tot een geldboete van € 225,--, subsidiair vier dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij afgewezen in voege als in het arrest vermeld.

2. Geding in cassatie

Het cassatieberoep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. De middelen komen met rechts- en motiveringsklachten op tegen het oordeel van het Hof dat, hoewel op de eerste terechtzitting van het Hof een raadsman was verschenen die uitdrukkelijk was gemachtigd de verdediging te voeren, de behandeling van de zaak op de nadere terechtzitting heeft te gelden als een behandeling bij verstek.

3.2. De onderhavige zaak kent - voorzover hier van belang - het volgende procesverloop:

(i) op de terechtzitting van 1 oktober 2002 is de verdachte niet verschenen. Wel is verschenen zijn raadsman, mr. R.W. van Faassen, die heeft verklaard door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd de verdediging te voeren. Voorts heeft de raadsman terstond om aanhouding van de zaak verzocht, aangezien zijn cliënt bij de behandeling van zijn zaak tegenwoordig wilde zijn, maar als gevolg van een ongeval niet ter terechtzitting aanwezig kon zijn. Het proces-verbaal houdt in dat het Hof - met instemming van de Advocaat-Generaal - dat verzoek heeft gehonoreerd en het onderzoek ter terechtzitting heeft geschorst tot de terechtzitting van 31 januari 2003 met bevel tot oproeping van de verdachte;

(ii) het proces-verbaal van de terechtzitting van 31 januari 2003 houdt in dat aldaar de verdachte niet is verschenen, doch wel mr. R.W. van Faassen, die echter heeft verklaard niet uitdrukkelijk gemachtigd te zijn in de zin van art. 279 Sv om voor de verdachte de verdediging te voeren. Het proces-verbaal houdt in dat het Hof daarop het onderzoek heeft voortgezet zonder de raadsman de gelegenheid te geven het woord te voeren en dat daarop het onderzoek is gesloten;

(iii) op 14 februari 2003 heeft het Hof het bestreden arrest gewezen en in dat arrest, zakelijk weergegeven, overwogen dat ten onrechte is verzuimd ter terechtzitting van 31 januari 2003 verstek te verlenen tegen de verdachte.

3.3. In aanmerking genomen dat ter terechtzitting van 1 oktober 2002 terstond na aanvang van het onderzoek het Hof op een desbetreffend verzoek van de raadsman op de voet van art. 278, vierde lid, in verbinding met art. 415 Sv de schorsing van het onderzoek heeft gelast, is het Hof, gelet op het bepaalde in art. 278, derde lid, in verbinding met art. 280, eerste lid, Sv, toen niet toegekomen aan de vraag of de zaak bij verstek kon worden behandeld. Evenmin was toen aan de orde de vraag of het Hof ermee kon instemmen dat de verdediging bij afwezigheid van de verdachte door de uitdrukkelijk gemachtigde raadsman zou worden gevoerd. Dat toen een uitdrukkelijk gemachtigde raadsman ter terechtzitting aanwezig was, doet aan het voorgaande niet af (vgl. HR 11 februari 2003, NJ 2003, 390, rov. 3.5.2). In een geval als het onderhavige kan dus pas op de vervolgzitting worden beslist of tegen de - wederom - niet verschenen verdachte verstek dient te worden verleend, dan wel dat in het gegeven geval de uitdrukkelijk gemachtigde raadsman bij afwezigheid van de verdachte kan worden toegelaten tot de verdediging, in welk geval de procedure als op tegenspraak gevoerd moet worden beschouwd in de zin van art. 279, tweede lid, Sv.

3.4. 's Hofs oordeel dat op de nadere terechtzitting van 31 januari 2003, alwaar noch de verdachte noch een bepaaldelijk gemachtigde raadsman was verschenen, verstek diende te worden verleend, is dus juist. De middelen bestrijden dat oordeel tevergeefs, zodat zij falen.

4. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 23 december 2003.