Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AM2517

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-12-2003
Datum publicatie
11-12-2003
Zaaknummer
00229/03 J
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AM2517
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Dagvaarding door hopper. 's Hofs oordeel dat de betrokken hopper heeft te gelden als een bij het parket werkzame ambtenaar ex art. 126 lid 1 RO is, tegen de achtergrond van HR LJN AF3366, onbegrijpelijk, nu 's hofs overwegingen niets inhouden omtrent de opleiding van de betrokken (politie)parketsecretaris en zijn werkzaamheden en - behoudens zijn functionele ondergeschiktheid aan de hoofdofficier - niets is vastgesteld t.a.v. de wijze waarop het toezicht op deze werkzaamheden is ingekaderd.

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 126
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 december 2003

Strafkamer

nr. 00229/03

IV/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 4 april 2002, nummer 23/001896-00, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedatum] 1984, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Kinderrechter in de Arrondissementsrechtbank te Utrecht van 22 maart 2000 - de verdachte ter zake van "diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming" veroordeeld tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van veertig uren, in plaats van vier weken onvoorwaardelijke jeugddetentie.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. A.M. Ficq-Kengen, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het bestreden arrest zal vernietigen en de zaak zal verwijzen naar een aangrenzend gerechtshof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans op ontoereikende gronden het verweer heeft verworpen dat de inleidende dagvaarding nietig dient te worden verklaard nu deze is uitgebracht door een (politie)parketsecretaris.

3.2. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer in het bestreden arrest als volgt samengevat en verworpen:

"De geldigheid van de inleidende dagvaarding

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat gelet op het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2001 (NJ 2001, 366) de inleidende dagvaarding nietig moet worden verklaard nu de dagvaarding is uitgereikt door een politiefunctionaris (de heer P. Wilbrink) en uit het dossier niet is gebleken dat er sprake is van een expliciet mandaatsbesluit ten aanzien van de bevoegdheid tot dagvaarden door (politie)parketsecretarissen in het algemeen en ten aanzien van de heer Wilbrink in het bijzonder.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Uit de door het openbaar ministerie overgelegde stukken, waaronder een brief d.d. 1 maart 2002 van de plaatsvervangend hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket te Utrecht gericht aan het ressortsparket te Amsterdam, in samenhang met een kopie van de mandatering aan (politie-) parketsecretarissen van de hoofdofficier van justitie te Utrecht d.d. 10 december 1998, is gebleken dat de heer P. Wilbrink als (politie-) parketsecretaris verbonden is aan het arrondissementsparket en zijn werkzaamheden verricht in functionele ondergeschiktheid aan de hoofdofficier van justitie, die aan hem onder meer heeft gemandateerd het concipiëren en uitbrengen van een dagvaarding in zaken die bij de kinderrechter worden aangebracht.

Bij deze stand van zaken moet het er voor gehouden worden dat is voldaan aan artikel 126 van de Wet op de rechterlijke organisatie en dat de inleidende dagvaarding op geldige wijze is uitgereikt. Mitsdien faalt het verweer."

3.3.1. Art. 126 RO luidde ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding in de onderhavige zaak, tengevolge van de op 1 juni 1999 in werking getreden Wet tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, het Wetboek van Strafvordering, de Politiewet 1993 en andere wetten (reorganisatie openbaar ministerie en instelling landelijk parket) van 19 april 1999, Stb. 1999, 194:

"1. De uitoefening van een of meer bevoegdheden van de officier van justitie of de advocaat-generaal kan worden opgedragen aan een andere bij het parket werkzame ambtenaar voor zover het hoofd van het parket daarmee heeft ingestemd.

2. De opgedragen bevoegdheid wordt in naam en onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie, onderscheidenlijk de advocaat-generaal, uitgeoefend.

3. De uitoefening van een bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid, kan niet aan een andere bij het parket werkzame ambtenaar worden opgedragen indien de regeling waarop de bevoegdheid steunt of de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet. Daarvan is in elk geval sprake voor zover het gaat om het optreden ter terechtzitting in strafzaken en de toepassing van de dwangmiddelen als bedoeld in Titel IV van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafvordering.

4. Bij algemene maatregel van bestuur worden omtrent de toepassing van dit artikel nadere regels gesteld."

3.3.2. De bepaling is nadien op voor de in de onderhavige zaak niet van belang zijnde onderdelen gewijzigd.

3.4. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 3 juni 2003, LJN AF3366, het volgende geoordeeld (rov. 3.7):

"Op grond van art. 167, eerste lid, Sv dient de bevoegdheid tot vervolging door de officier van justitie te worden uitgeoefend. Zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van 1 juli 1997, NJ 1998, 49 is aldus gewaarborgd dat die uitoefening geschiedt door ambtenaren die voldoen aan bepaalde opleidingseisen en die mede met het oog op die bevoegdheidsuitoefening zijn geselecteerd. Die waarborg zou, aldus de Hoge Raad, worden ondergraven indien andere ambtenaren die niet aan die eisen voldoen en niet die selectie hebben ondergaan, in het algemeen en zonder toereikende nadere instructies die bevoegdheid in mandaat zouden uitoefenen.

Aangenomen moet worden dat dat jurisprudentiële uitgangspunt ook bij de wetgever heeft voorgezeten bij de totstandkoming van de in art. 126 RO voorziene mandateringsregeling. Tegen die achtergrond moet ervan worden uitgegaan dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een "bij het parket werkzame ambtenaar" als bedoeld in art. 126 RO de rechtspositionele status van die ambtenaar niet doorslaggevend is en evenmin of de ambtenaar zijn werkzaamheden feitelijk ten parkette uitoefent, maar dat beslissend is of die ambtenaar voor wat betreft zijn opleiding, zijn feitelijke werkzaamheden en de wijze waarop deze werkzaamheden in het verband van het parket ten aanzien van het toezicht en de supervisie zijn ingekaderd, met een parketambtenaar kan worden gelijkgesteld.

Voor wat die inkadering betreft is meer in het bijzonder vereist dat de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor het handelen van de ambtenaar berust bij de hoofdofficier van justitie en dat deze hem daartoe aanwijzingen kan geven, alsmede dat de ambtenaar zijn werkzaamheden verricht onder de dagelijkse leiding en supervisie van een officier van justitie."

3.5. Het Hof heeft in de hiervoor onder 3.2 weergegeven overwegingen slechts vastgesteld dat de (politie)parketsecretaris P. Wilbrink verbonden is aan het arrondissementsparket en zijn werkzaamheden verricht in functionele ondergeschiktheid aan de hoofdofficier van justitie. 's Hofs overwegingen houden echter niets in omtrent de opleiding van deze (politie)parketsecretaris en evenmin over diens feitelijke werkzaamheden, terwijl - behoudens genoemde functionele ondergeschiktheid - over de wijze waarop deze werkzaamheden in het verband van het parket ten aanzien van het toezicht en de supervisie zijn ingekaderd evenmin iets is vastgesteld.

3.6. 's Hofs kennelijke oordeel dat P. Wilbrink als "een andere bij het parket werkzame ambtenaar" in de zin van art. 126 RO heeft te gelden, is gezien het onder 3.4 en 3.5 overwogene onvoldoende gemotiveerd. Het middel is terecht voorgesteld.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.

4.2. De verdachte heeft op 10 april 2002 beroep in cassatie ingesteld. Blijkens een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel zijn deze op 3 februari 2003 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. De zaak is ter terechtzitting van de Hoge Raad van 16 september 2003 voor de eerste maal behandeld, hetgeen ertoe leidt dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep.

Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Het middel is dus terecht voorgesteld. De rechter naar wie de zaak zal worden verwezen zal die overschrijding bij de strafoplegging dienen te betrekken.

5. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak;

Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 9 december 2003.