Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AL9052

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-12-2003
Datum publicatie
20-01-2004
Zaaknummer
00327/03
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AL9052
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van mishandeling (art. 300 Sr) behoeft niet in te houden dat het slachtoffer pijn heeft ondervonden. Het begrip ‘mishandeling’ heeft in zoverre ook feitelijke betekenis dat daarin ligt opgesloten dat de iemand aangedane feitelijkheden pijn of letsel aan diens lichaam of nadeel aan de gezondheid hebben veroorzaakt. In casu is met de bewezenverklaring dat verdachte heeft geduwd en geschopt genoegzaam tot uitdrukking gebracht dat daardoor pijn is toegebracht (HR NJ 1936, 125).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2004, 119

Uitspraak

2 december 2003

Strafkamer

nr. 00327/03

AGJ/IV

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 25 juni 2002, nummer 21/001728-01, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Arnhem van 23 augustus 2001 - de verdachte ter zake van "mishandeling" veroordeeld tot een geldboete van driehonderd euro, subsidiair zes dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

3. Beoordeling van het derde middel

3.1. Het middel klaagt dat het Hof in de aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv de bewezenverklaring heeft gewijzigd.

3.2.1. Blijkens het verkorte arrest (bijlage III) heeft het Hof met betrekking tot het aan de verdachte tenlastgelegde feit bewezenverklaard dat:

"hij op 22 maart 2000 te [plaats] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), heeft geduwd (tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] op de grond viel) en op of tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft geschopt."

3.2.2. In de aanvulling op het verkorte arrest heeft het Hof het volgende overwogen:

"Door een kennelijke vergissing is in bijlage III van het arrest doorgestreept de zinsnede 'waardoor deze pijn heeft ondervonden'."

3.3. Het staat de rechter niet vrij in de aanvulling op het verkorte arrest alsnog onderdelen van de tenlastelegging bewezen te verklaren waarvan in het verkorte arrest is vrijgesproken. Bij de beoordeling van het onderhavige cassatieberoep moet derhalve worden uitgegaan van de bewezenverklaring die in het verkorte arrest is opgenomen (vgl. HR 27 juni 2000, NJ 2000, 548). Mitsdien is het middel gegrond.

3.4. Dat behoeft echter niet tot cassatie te leiden. De bewezenverklaring zoals hiervoor onder 3.2.1 weergegeven is blijkens de bestreden uitspraak gekwalificeerd als 'mishandeling' als bedoeld in art. 300 Sr. Die kwalificatie getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, nu het begrip 'mishandeling' in zoverre ook een feitelijke betekenis heeft dat daarin ligt opgesloten dat de iemand aangedane feitelijkheden pijn of letsel aan diens lichaam of nadeel aan de gezondheid hebben veroorzaakt. Waar hier is bewezenverklaard dat de verdachte opzettelijk mishandelend een persoon heeft geduwd en tegen het lichaam heeft geschopt, is daarmee genoegzaam tot uitdrukking gebracht dat daardoor pijn is toegebracht (vgl. HR 21 oktober 1935, NJ 1936, 125).

4. Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 2 december 2003.