Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AL8443

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-12-2003
Datum publicatie
12-12-2003
Zaaknummer
C02/213HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AL8443
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

12 december 2003 Eerste Kamer Nr. C02/213HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: POLYPROJECT B.V., gevestigd te Lisse, EISERES tot cassatie, advocaat: mr. D. Rijpma, t e g e n DE GEMEENTE WARMOND, gevestigd te Warmond, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. F.B. Kloppenburg. 1. Het geding in voorgaande instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2004, 233
JOL 2003, 654
NJ 2005, 431
RvdW 2003, 194
BR 2004/166
Gst. 2004, 75
Module Ruimtelijke ordening 2003/4443
O&A 2004, 26
JWB 2003/473

Uitspraak

12 december 2003

Eerste Kamer

Nr. C02/213HR

JMH/AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

POLYPROJECT B.V., gevestigd te Lisse,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. D. Rijpma,

t e g e n

DE GEMEENTE WARMOND, gevestigd te Warmond,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. F.B. Kloppenburg.

1. Het geding in voorgaande instanties

Voor het verloop van het geding in voorgaande instanties tussen eiseres tot cassatie - verder te noemen: Polyproject - en verweerster in cassatie - verder te noemen: de gemeente - verwijst de Hoge Raad naar zijn arrest van 13 april 2001, nr. C99/161, NJ 2001, 581.

Bij dat arrest heeft de Hoge Raad in het principale en in het incidentele beroep het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 4 februari 1999 vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het gerechtshof te Amsterdam.

Bij exploot van 15 augustus 2001 heeft Polyproject de gemeente gedagvaard voor het gerechtshof te Amsterdam ten einde voort te procederen.

Het hof heeft bij arrest van 11 april 2002 het vonnis van de rechtbank van 4 juni 1997 waarvan beroep bekrachtigd.

Het arrest van het hof van 11 april 2002 is aan dit arrest gehecht.

2. Het tweede geding in cassatie

Tegen laatstvermeld arrest van het hof heeft Polyproject beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van Polyproject heeft bij brief van 16 oktober 2003 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Voor de feiten waarvan in cassatie kan worden uitgegaan, verwijst de Hoge Raad naar zijn hiervoor in 1 genoemde arrest van 13 april 2001, nr. C99/161, NJ 2001, 581. Bij dit arrest heeft de Hoge Raad, met vernietiging van het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage, het geding verwezen naar het gerechtshof te Amsterdam en dit hof opgedragen de waarde van de prestatie van de gemeente vast te stellen met toepassing van art. 6:210 BW.

Dit hof heeft vooropgesteld dat voor de bepaling van de geldswaarde van de prestatie van de gemeente, die naar haar aard niet ongedaan kan worden gemaakt, geen algemeen toepasselijke maatstaven bestaan. Het hof knoopt daarom voor de bepaling van die waarde aan bij de waarde die deze prestatie in het maatschappelijk verkeer toegedacht kan worden. Bij gebreke van andere en betere gegevens is daarvoor, aldus het hof, in dit geval bepalend het bedrag waarop de partijen in hun onderhandelingen de waarde van de prestatie van de gemeente hebben begroot, te weten ƒ 760.000,--. Hiertegen richt zich het middel.

3.2 Onderdeel 1 klaagt dat het hof niet de prestatie heeft gewaardeerd die het moest waarderen, namelijk het bevorderen van de herziening van het bestemmingsplan, maar iets geheel anders te weten de omstandigheid dat Polyproject haar bouwproject daadwerkelijk heeft kunnen realiseren en/of de - door de gemeente van betaling van ƒ 760.000,-- afhankelijk gestelde - bereidheid van de gemeente met Polyproject een exploitatieovereenkomst te sluiten, en aldus buiten de rechtsstrijd is getreden althans zijn taak na cassatie en verwijzing heeft miskend. Het onderdeel kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Het hof heeft immers in zijn rov. 4.1 overwogen dat het de waarde van de prestatie van de gemeente diende vast te stellen en het heeft vervolgens die waarde "bij gebreke van andere en betere gegevens" bepaald op hetgeen in feite is betaald. Dat het hof in het kader van deze waardebepaling de door het onderdeel vermelde omstandigheden van belang heeft geoordeeld, betekent niet dat het de verwijzingsopdracht heeft miskend.

3.3 Bij de beoordeling van de onderdelen 2 en 3 moet worden vooropgesteld dat de waarde van de prestatie van de gemeente, die ingevolge art. 6:210 lid 2 BW door Polyproject aan haar moet worden vergoed, in een geval als het onderhavige niet op nihil moet worden gesteld op de grond dat noch de wet noch de exploitatieovereenkomst een grondslag voor de in dit geval door de gemeente bedongen tegenprestatie biedt en het derhalve de gemeente niet vrijstond deze tegenprestatie te bedingen: uit het arrest van 13 april 2001 vloeit voort dat dit niet aan een waardering van de prestatie van de gemeente in de weg staat. Deze waardering behoort in een geval als het onderhavige dan ook te geschieden op de grondslag van hetgeen voor de gemeente wel geoorloofd zou zijn geweest van Polyproject als tegenprestatie te bedingen voor haar prestatie, die erin bestond dat zij toezegde de herziening van het bestemmingsplan te bevorderen.

Dit een en ander brengt mee dat met het oog op de waardering van de prestatie van de gemeente moet worden onderzocht of de exploitatieverordening een grondslag inhoudt en, zo ja in hoeverre, voor het bedingen door de gemeente van een tegenprestatie voor haar prestatie de wijziging van het bestemmingsplan te bevorderen. In dit verband is van belang dat de, in eerste aanleg overgelegde, exploitatieverordening van de gemeente als onderdeel van de aan de gemeente te betalen kosten in art. 8, onder j, onder meer noemt de kosten van het maken van stedenbouwkundige en andere plannen. De klachten van de onderdelen 2 en 3 die het hof verwijten dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting doordat het bij het bepalen van de waarde van de prestatie van de gemeente niet de hiervoor als juist aangemerkte maatstaf heeft gehanteerd, treffen derhalve doel.

3.4 Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat het bestreden arrest niet in stand kan blijven en dat verwijzing moet volgen. In het geding na verwijzing is het aan de gemeente aannemelijk te maken op welk bedrag zij aanspraak had kunnen maken, uitgaande van hetgeen de exploitatieverordening inhoudt omtrent de aan haar te betalen vergoeding voor haar toezegging de herziening van het bestemmingsplan te bevorderen. Opmerking verdient dat aldus niet de grenzen worden overschreden van hetgeen de rechter na verwijzing kan onderzoeken, nu Polyproject bij pleidooi in hoger beroep voor het hof te 's-Gravenhage, zij het subsidiair, waardering van de prestatie van de gemeente op basis van de hiervoor als juist aanvaarde maatstaf heeft verdedigd.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 11 april 2002;

verwijst het geding naar het gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt de gemeente in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Polyproject begroot op € 4.682,36 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, D.H. Beukenhorst, O. de Savornin Lohman en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 12 december 2003.