Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AL8429

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-12-2003
Datum publicatie
19-12-2003
Zaaknummer
C02/096HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AL8429
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

19 december 2003 Eerste Kamer Nr. C02/096HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, voorwaardelijk incidenteel verweerder, advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens, t e g e n DE GEMEENTE ASTEN, gevestigd te Asten, VERWEERSTER in cassatie, voorwaardelijk incidenteel eiseres, advocaat: mr. M.E. Gelpke. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 682
JWB 2003/509

Uitspraak

19 december 2003

Eerste Kamer

Nr. C02/096HR

JMH/AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiser], wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie, voorwaardelijk incidenteel verweerder,

advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,

t e g e n

DE GEMEENTE ASTEN, gevestigd te Asten,

VERWEERSTER in cassatie, voorwaardelijk incidenteel eiseres,

advocaat: mr. M.E. Gelpke.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 17 februari 1995 verweerster in cassatie - verder te noemen: de Gemeente - gedagvaard voor de rechtbank te 's-Hertogenbosch en gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. de Gemeente te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te voldoen een bedrag van ƒ 1.542.043,--, te vermeerderen met de rente ad ƒ 422,39 per dag vanaf 31 december 1994 tot de dag der algehele voldoening, subsidiair te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 1994 tot de dag der algehele voldoening;

2. de Gemeente te veroordelen tot het betalen aan [eiser] van een periodieke schadevergoeding ter grootte van ƒ 240.263,--, voor het eerst te voldoen op 1 januari 1995 en zo opvolgend voor ieder jaar tot het jaar 2007, steeds per de 1e januari van het nieuwe jaar te voldoen, en

3. de Gemeente te veroordelen tot schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

De Gemeente heeft de vorderingen bestreden.

Bij conclusie van repliek heeft [eiser] de grondslag van zijn eis aangevuld.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 12 december 1997 [eiser] tot bewijslevering toegelaten. Na enquête heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 24 december 1999 de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een akte door [eiser] omtrent de omvang van de door de Gemeente te vergoeden schade en iedere verdere beslissing aangehouden.

Tegen beide tussenvonnissen heeft de Gemeente hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Bij arrest van 17 december 2001 heeft het hof de vonnissen waarvan beroep vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [eiser] afgewezen.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De Gemeente heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende het voorwaardelijk incidenteel beroep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het principaal cassatieberoep.

3. Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1 Wat betreft de feiten en het verloop van de procedure verwijst de Hoge Raad naar punt 1 van de conclusie van de Advocaat-Generaal en naar het hiervoor onder 1 overwogene.

3.2.1 De Hoge Raad zal eerst het tweede als 'Onderdeel 4' aangeduide onderdeel van het middel behandelen.

Dit onderdeel is gericht tegen rov. 10 van het arrest van het hof en klaagt dat het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de schriftelijke verklaring van wethouder [betrokkene 1] van 8 februari 1996 geheel buiten beschouwing te laten.

Het gaat hier naar de vaststelling van het hof om een door de raadsman van [eiser] en enige andere tuinders die in dezelfde positie verkeerden, geconcipieerde verklaring die aan [betrokkene 1] ter tekening is voorgehouden (en door hem inderdaad is ondertekend) tijdens een gesprek met de tuinders waarvoor [betrokkene 1] was uitgenodigd en waar ook de raadsman aanwezig bleek te zijn, welk gesprek volgens de raadsman ertoe strekte om de "waarheid" - het hof voegt toe: zijn waarheid - boven water te halen. Het hof heeft in verband met de wijze waarop de verklaring tot stand is gekomen, de verklaring - evenals de schriftelijke verklaringen van [betrokkene 1], die hij geschreven heeft als reactie op voornoemde verklaring - geheel buiten beschouwing gelaten.

3.2.2 Bij de beoordeling van dit onderdeel moet het volgende worden vooropgesteld.

Op zichzelf verzet geen rechtsregel zich ertegen dat een procespartij aan een derde verzoekt om ten behoeve van de procedure een schriftelijke verklaring af te leggen betreffende hetgeen hem over bepaalde feiten bekend is, en om deze verklaring vervolgens in de procedure over te leggen. Evenmin verzet op zichzelf enige rechtsregel zich ertegen dat een procespartij een derde verzoekt om een reeds ten gebruike in de procedure opgestelde verklaring betreffende bepaalde feiten, te ondertekenen, indien hij met de inhoud van die verklaring instemt, en om de ondertekende verklaring vervolgens in de procedure over te leggen.

De waardering van de bewijskracht van dergelijke verklaringen is aan het oordeel van de rechter overgelaten. Bij de beoordeling van dit bewijs zal de rechter zich in het bijzonder dienen af te vragen, in hoeverre aan de betrouwbaarheid van de verklaring afbreuk wordt gedaan door het feit dat hij de persoon die de verklaring heeft afgelegd, niet zelf heeft kunnen horen in een verhoor waarbij ook de tegenpartij aanwezig heeft kunnen zijn, en door het feit dat de verklaring niet onder ede is afgelegd. Voor de beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaring is voorts niet slechts de inhoud ervan van belang, maar kan ook betekenis kunnen worden gehecht aan andere feiten en omstandigheden, zoals de wijze waarop de verklaring tot stand is gekomen.

3.2.3 Het hof heeft de wijze waarop de verklaring van wethouder [betrokkene 1] tot stand is gekomen, onjuist geoordeeld, kennelijk omdat het hof van oordeel was dat deze wijze van totstandkoming te gemakkelijk tot een onjuiste verklaring, dat wil zeggen een verklaring die de mening van [betrokkene 1] niet goed weergaf, kon leiden. Om deze reden heeft het hof de verklaring onvoldoende betrouwbaar geacht om haar te doen bijdragen tot bewijs van de feiten waarop zij betrekking had.

Voorzover het onderdeel ervan uitgaat dat het hof zijn oordeel niet heeft gebaseerd op een waardering van het door de verklaring geleverde bewijs, berust het derhalve op een onjuiste lezing van de bestreden beslissing en kan het om die reden niet tot cassatie leiden. Het oordeel van het hof geeft voorts, naar volgt uit het in 3.2.2 overwogene, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het onderdeel is derhalve tevergeefs voorgesteld.

3.3 De in de overige onderdelen aangevoerde klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.4 Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het hof leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het principale beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente begroot op € 4.607,34 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren D.H. Beukenhorst, O. de Savornin Lohman, A. Hammerstein en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 19 december 2003.