Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AL8205

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-11-2003
Datum publicatie
09-12-2003
Zaaknummer
1377
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AL8205
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Nr. 1377 28 november 2003 AB in de zaak van de besloten vennootschap Strijpse Kampen B.V., gevestigd te Oirschot, eiseres tot cassatie, voorwaardelijk incidenteel verweerster, advocaat: mr. H.A. Groen, tegen 1. de gemeente Eindhoven, zetelende te Eindhoven, en 2. de gemeente Oirschot, zetelende te Oirschot, verweersters in cassatie, voorwaardelijk incidenteel eiseressen, advocaat: mr. J.W. Meijer. 1. Geding in feitelijke instantie...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2004, 198
JWB 2003/459
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 1377

28 november 2003

AB

in de zaak van

de besloten vennootschap Strijpse Kampen B.V.,

gevestigd te Oirschot,

eiseres tot cassatie,

voorwaardelijk incidenteel verweerster,

advocaat: mr. H.A. Groen,

tegen

1. de gemeente Eindhoven,

zetelende te Eindhoven, en

2. de gemeente Oirschot,

zetelende te Oirschot,

verweersters in cassatie,

voorwaardelijk incidenteel eiseressen,

advocaat: mr. J.W. Meijer.

1. Geding in feitelijke instantie

1.1. De loop van het geding tot aan het vonnis van de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de Rechtbank) van 26 maart 1999 is beschreven in de nrs. 1.1-1.5 van het arrest van de Hoge Raad van 9 februari 2000 (nr. 1272, NJ 2000, 418). Ingevolge dit arrest heeft dat vonnis, waarbij onder meer de gevorderde onteigening bij vervroeging werd uitgesproken, kracht van gewijsde verkregen, waarna de Rechtbank de behandeling van de zaak heeft voortgezet.

1.2. Bij het thans bestreden vonnis van 6 november 2002 heeft de Rechtbank, voorzover in cassatie van belang, het bedrag van de door verweersters in cassatie (hierna: de gemeenten) aan eiseres tot cassatie (hierna: Strijpse Kampen) verschuldigde schadeloosstelling vastgesteld op € 1.800.484,20. Het vonnis is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

2.1. Strijpse Kampen heeft beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.2. De gemeenten hebben geconcludeerd tot verwerping van het door Strijpse Kampen ingestelde beroep, en hunnerzijds incidenteel beroep ingesteld onder de voorwaarde dat de Hoge Raad onderdeel 4 van het cassatiemiddel van Strijpse Kampen gegrond zou bevinden. De desbetreffende conclusie van de gemeenten is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.3. Strijpse Kampen heeft geconcludeerd tot verwerping van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep.

2.4. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten door hun advocaten. Strijpse Kampen heeft gerepliceerd, de gemeenten hebben gedupliceerd.

2.5. De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 5 september 2003 geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis wegens gegrondheid van onderdeel 4 van het middel in het principale beroep, tot verwerping van het voorwaardelijk incidenteel beroep, en tot verwijzing van het geding.

2.6. Elk van beide advocaten heeft op deze conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1. Onderdeel 1 neemt tot uitgangspunt (i) dat bij de bepaling van de werkelijke waarde van het onteigende geen rekening behoort te worden gehouden met de waardevermeerdering of -vermindering, teweeggebracht door niets anders dan hetgeen de onteigenaar zelf aanlegt en de plannen daarvoor; (ii) dat bij die waardebepaling in het algemeen wel de bestemming in aanmerking dient te worden genomen, die aan het onteigende is gegeven bij het daarvoor door de gemeente vastgestelde bestemmingsplan, ook al wordt die bestemming juist verwezenlijkt door het werk waarvoor onteigend wordt; (iii) dat de onder (ii) omschreven regel uitzondering lijdt wanneer het vaststellen van die bestemming niet als een eigen en zelfstandige werkzaamheid van die gemeente kan worden beschouwd, omdat de gemeente daarbij in feite geen andere keus had dan zich aan te sluiten bij een reeds door het daartoe bevoegde orgaan van rijk of provincie ontwikkeld plan, waarbij aan het onteigende met het oog op het werk waarvoor onteigend wordt reeds een bepaalde bestemming is toegedacht (HR 18 juni 1980, nr. 1049, NJO 1980, 7). Vervolgens betoogt onderdeel 1 dat op de onder (ii) omschreven regel tevens een uitzondering moet worden gemaakt in een geval als het onderhavige, dat hierdoor wordt gekenmerkt dat de (noodzaak tot) verplaatsing van het Pantser Infanterie Rij Opleidingscentrum (PIROC) primair voortvloeide uit het door de gemeente Eindhoven ontwikkelde plan om een nieuw woon- en werkgebied Meerhoven te realiseren op onder meer de oude locatie van het PIROC, waarbij in het overleg dat de gemeente Eindhoven daarop heeft gevoerd met het Ministerie van Defensie bleek dat dat ministerie slechts tot medewerking aan deze verplaatsing bereid was, indien het PIROC verplaatst zou worden naar een locatie, die reeds aansloot op de bestaande legerplaats Oirschot. Dat de gemeenten daarop de keus hebben gemaakt om het nieuwe PIROC op onder meer het onteigende te situeren, valt niet als een zodanige eigen en zelfstandige werkzaamheid van de gemeenten te beschouwen, dat die bestemming bij de waardebepaling in aanmerking zou behoren te worden genomen, aldus nog steeds het in onderdeel 1 vervatte betoog.

Voor het maken van een uitzondering als in het onderdeel bedoeld, is evenwel geen plaats, ook niet wanneer mede acht geslagen wordt op het in onderdeel 2 genoemde Structuurschema Militaire Terreinen. Mitsdien falen de onderdelen 1 en 2.

3.2. Onderdeel 3 kan evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu dat onderdeel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.3. Onderdeel 4 ontbeert belang, omdat de beslissing van de Rechtbank om de schadeloosstelling voor Strijpse Kampen niet te verhogen met een vergoeding voor de kosten van aankoop van een vervangende woning ten behoeve van het echtpaar [X] juist is, wat er zij van de door de Rechtbank gebezigde gronden. Zoals ook in het incidentele beroep wordt aangevoerd, rechtvaardigt de enkele omstandigheid dat het echtpaar [X], dat een op het onteigende gelegen woning bewoonde, directeur-aandeelhouder van Strijpse Kampen is, niet dat echtpaar in dier voege met Strijpse Kampen te vereenzelvigen dat de noodzaak van aankoop van een vervangende woning voor het echtpaar [X] moet worden aangemerkt als een door Strijpse Kampen ondervonden onteigeningsgevolg. Evenmin heeft de Rechtbank vastgesteld dat Strijpse Kampen krachtens enigerlei rechtsverhouding tot het echtpaar [X] gehouden was om ten behoeve van dat echtpaar een vervangende woning aan te kopen. De gedachte dat zodanige verplichting van Strijpse Kampen nochtans zou kunnen bestaan, vindt geen aanknopingspunt in de bevindingen van de deskundigen, noch in de stellingen van Strijpse Kampen, zodat geen aanleiding bestaat tot het gelasten van nader onderzoek naar die eventualiteit.

Mitsdien kan ook het vierde onderdeel niet tot cassatie leiden.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het principale beroep;

veroordeelt Strijpse Kampen in de kosten van het principale beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van de gemeenten begroot op € 301,33 aan verschotten en € 1365 voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren A.R. Leemreis en C.J.J. van Maanen, en door de raadsheer F.B. Bakels in het openbaar uitgesproken op 28 november 2003.