Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AL8168

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
31-10-2003
Datum publicatie
31-10-2003
Zaaknummer
C02/234HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AL8168
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

31 oktober 2003 Eerste Kamer Nr. C02/234HR AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1. [Eiseres 1], 2. [Eiser 2], in hun hoedanigheid van ouders en wettelijk vertegenwoordigers van [betrokkene 1], beiden wonende te [woonplaats], EISERS tot cassatie, advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand, t e g e n 1. [Verweerder 1], wonende te [woonplaats], 2. de rechtspersoonlijkheid bezittende VERENIGING VOOR CHRISTELIJK WETENSCHAPPELIJK ONDERWIJS, EXPLOITERENDE HET ACADEMISCH ZIEKENHUIS DER VRIJE UNIVERSITEIT "AZVU", gevestigd te Amsterdam, VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: mr. E. van Staden ten Brink. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 560
NJ 2006, 112 met annotatie van C.E. du Perron
RvdW 2003, 169
VR 2004, 52
JWB 2003/408
AA20040266 met annotatie van T. Hartlief
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

31 oktober 2003

Eerste Kamer

Nr. C02/234HR

AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiseres 1],

2. [Eiser 2], in hun hoedanigheid van ouders en wettelijk vertegenwoordigers van [betrokkene 1],

beiden wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand,

t e g e n

1. [Verweerder 1],

wonende te [woonplaats],

2. de rechtspersoonlijkheid bezittende VERENIGING VOOR CHRISTELIJK WETENSCHAPPELIJK ONDERWIJS, EXPLOITERENDE HET ACADEMISCH ZIEKENHUIS DER VRIJE UNIVERSITEIT "AZVU",

gevestigd te Amsterdam,

VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: mr. E. van Staden ten Brink.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eisers tot cassatie - verder te noemen: [eiser] c.s - hebben bij exploit van 23 februari 1999 verweerders in cassatie - verder te noemen: [verweerder] c.s. - gedagvaard voor de rechtbank te Amsterdam en gevorderd [verweerder] c.s. hoofdelijk te veroordelen om aan [eiser] c.s. te vergoeden de door hen geleden en te lijden materiële en immateriële schade, op te maken bij staat en te vermeerderen met de wettelijke rente sedert 27 mei 1996 althans vanaf de dag van dagvaarding.

[Verweerder] c.s. hebben de vordering bestreden.

De rechtbank heeft bij vonnis van 11 april 2001 het gevorderde afgewezen.

Tegen dit vonnis hebben [eiser] c.s hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.

Bij arrest van 16 mei 2002 heeft het hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

3.1In cassatie moet, deels veronderstellenderwijs, worden uitgegaan van het volgende.

(i) [Eiseres 1] heeft tijdens haar zwangerschap in 1987 onder behandeling gestaan van [verweerder], toentertijd als gynaecoloog werkzaam in het ziekenhuis van het AZVU.

(ii) [Eiseres 1] is op 24 november 1987 opgenomen op de afdeling verloskunde van het AZVU. Na constatering van foetale nood is diezelfde avond onder leiding van de gynaecoloog [betrokkene 2] een keizersnede uitgevoerd. Het aldus geboren kind, [betrokkene 1], bleek in een zeer slechte conditie te verkeren (onder andere) ten gevolge van zuurstofgebrek voor de geboorte (perinatale asfyxie). [Betrokkene 1] is overgebracht naar de afdeling neonatologie van het AZVU waar onder meer een nierfunctiestoornis en respiratoire insufficiëntie werden geconstateerd.

(iii) Perinatale asfyxie kan leiden tot hersenbeschadiging en ontwikkelingsstoornissen.

(iv) Bij brief van 13 januari 1988 heeft [betrokkene 3], kinderarts, verslag gedaan aan de huisarts van [betrokkene 1] over het verblijf van [betrokkene 1] op de afdeling neonatologie van het AZVU. In dit verslag, waarmee de ouders van [betrokkene 1] (hierna: de ouders) pas jaren later bekend zijn geraakt, wordt enerzijds - kort gezegd - melding gemaakt van de ernstige toestand waarin [betrokkene 1] onmiddellijk na zijn geboorte verkeerde, maar wordt anderzijds gesteld:

"Met de ouders is steeds goed en zeer intensief contact geweest, waarbij zij steeds volledig van alle ontwikkelingen op de hoogte werden gebracht. Met name in de eerste dagen werd ook met hen de zin van behandelen besproken. Na onze eerste pessimistische gesprekken, gaf het verdere herstel, met name ten aanzien van de neurologie ons reden een gepast optimisme naar de ouders over te brengen. Uiteraard is het nu niet mogelijk een zekere prognosestelling ten aanzien van de verdere toekomst te doen, doch het beeld dat wij nu van hem zien geeft hoop voor de toekomst en sluit een volstrekt normale ontwikkeling zeker niet uit."

(v) Na intensieve behandeling heeft verbetering in de toestand van [betrokkene 1] plaatsgevonden. In of omstreeks 1994 is echter uit onderzoek gebleken dat [betrokkene 1] vanwege een gestoorde ontwikkeling, aangepast onderwijs dient te volgen.

(vi) In december 1994 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de ouders en [betrokkene 2] voornoemd. In dat gesprek heeft [betrokkene 2] onder meer opgemerkt dat achteraf bezien eerder ingegrepen had kunnen worden bij de geboorte van [betrokkene 1].

(vii) [Verweerder] en het AZVU zijn bij brief van 13 mei 1996 door de ouders aansprakelijk gesteld wegens - kort gezegd - tekortschietend medisch handelen bij de geboorte van [betrokkene 1].

3.2 In het onderhavige geding hebben de ouders hun hiervoor in 1 vermelde vordering gebaseerd op gesteld tekortschietend of foutief medisch handelen van [verweerder] en het AZVU. Laatstgenoemden hebben niet alleen betwist dat van enige tekortkoming of fout sprake is geweest, maar hebben zich bovendien beroepen op verjaring en rechtsverwerking.

De rechtbank heeft het beroep op verjaring gegrond geacht. Het hof heeft de tegen dat oordeel gerichte grieven verworpen. Het heeft daartoe overwogen dat de schade waarom het in deze procedure gaat, is gelegen in een bij [betrokkene 1] aanwezige ontwikkelingsstoornis. Bij [betrokkene 1]s geboorte was al duidelijk dat zijn gezondheid ernstige schade had opgelopen en dat een hersenbeschadiging was opgetreden door zuurstoftekort. Zijn ouders waren hiervan op de hoogte. Zij wisten dat de ontstane gezondheidsschade gevolgen kon hebben voor de ontwikkeling van [betrokkene 1], al wisten zij nog niet wat de omvang van de schade zou zijn. Dit laatste belette echter niet dat de verjaringstermijn ging lopen (rov. 4.4). De ouders wisten in 1987 ook al wie voor de ontstane schade aansprakelijk waren te stellen voor zover er aansprakelijkheid was. Daaraan doet niet af dat zij aanvankelijk niet wisten dat die personen daadwerkelijk voor de ontstane schade aansprakelijk waren te stellen (rov. 4.5). Bij gebreke van tijdige stuiting is de verjaring, die in 1987 is gaan lopen, op de voet van art. 3:310 lid 1 BW in samenhang met art. 73 Ow Nieuw BW, op 1 januari 1993 voltooid.

3.3 Middel 1 betoogt in de kern dat het hof aldus heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting over het moment waarop de in art. 3:310 lid 1 BW bedoelde verjaringstermijn van vijf jaren begint te lopen. Het enkele feit dat [betrokkene 1] bij zijn geboorte niet gezond bleek, betekent immers nog niet dat de ouders toen reeds bekend waren met de in art. 3:310 bedoelde aansprakelijke persoon omdat zij toen geen aanwijzingen hadden dat die gezondheidsproblemen waren terug te voeren op een medische fout.

Het middel bevat bovendien nog enige motiveringsklachten.

3.4 Art. 3:310 lid 1 BW bevat twee verjaringstermijnen: een korte van vijf jaren die begint te lopen op de dag volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, en een lange van twintig jaren, die begint te lopen op de dag na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt. Aan deze lange termijn ligt blijkens de wetsgeschiedenis en de daarmee strokende, vaste rechtspraak van de Hoge Raad (vgl. HR 3 november 1995, nr. 15.801, NJ 1998, 380) de rechtszekerheid ten grondslag. Deze termijn begint te lopen door het intreden van de schadeveroorzakende gebeurtenis, zelfs als de benadeelde met het bestaan van zijn vordering niet op de hoogte is (met dien verstande dat een grond voor verlenging van de verjaring bestaat in het geval van art. 321 lid 1, aanhef en onder f, BW). De korte verjaringstermijn daarentegen, waarom het in dit geding gaat, staat niet alleen in het teken van de rechtszekerheid, maar ook van de billijkheid. De voormelde eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon, moet naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad aldus worden opgevat dat het hier gaat om een daadwerkelijke bekendheid (HR 6 april 2001, nr. C99/158, NJ 2002, 383; vgl. ook HR 20 april 2001, nr. C99/293, NJ 2002, 384), zodat het enkele vermoeden van het bestaan van schade niet volstaat (HR 24 januari 2003, nr. C02/011, NJ 2003, 300). Voorts heeft de Hoge Raad beslist dat, indien de benadeelde zijn vordering niet kan instellen door omstandigheden die aan de schuldenaar moeten worden toegerekend, het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de schuldenaar zich erop zou vermogen te beroepen dat de vijfjarige verjaring is begonnen te lopen op het zojuist bedoelde tijdstip. De korte verjaringstermijn gaat dan pas in wanneer die omstandigheden niet langer verhinderen dat de vordering kan worden ingesteld (HR 23 oktober 1998, nr. 16.567, C97/037, NJ 2000, 15 en HR 25 juni 1999, nr. 16.841, C97/320, NJ 2000, 16). Tegen de achtergrond van voormelde rechtspraak en in het licht van de mede naar aanleiding van deze arresten verschenen literatuur komt de Hoge Raad thans tot het oordeel dat de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW, gelet op de strekking van deze bepaling, pas begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van deze schade in te stellen.

3.5 Tegen deze achtergrond moet worden aangenomen dat indien iemand bij zijn geboorte lichamelijk letsel heeft opgelopen dat door het natuurlijk verloop van de zwangerschap en bevalling zou kunnen zijn veroorzaakt, de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW pas begint te lopen zodra hij of diens wettelijk vertegenwoordiger, voldoende zekerheid - die niet een absolute zekerheid hoeft te zijn - heeft gekregen dat het letsel (mede) is veroorzaakt door tekortschietend of foutief medisch handelen.

De rechtsklacht van het middel is derhalve gegrond. De ouders, die in dit geding met rechterlijke machtiging namens [betrokkene 1] procederen, hebben zich immers erop beroepen dat zij pas in het hiervoor in 3.1(vi) bedoelde gesprek met [betrokkene 2] hebben vernomen dat de bij [betrokkene 1]s geboorte opgetreden hersenbeschadiging mede is veroorzaakt door te laat ingrijpen van dr. [verweerder]. Hun stelling dat de onderhavige verjaringstermijn pas daags na dit gesprek een aanvang heeft genomen, is door het hof ten onrechte weerlegd met de overweging dat de onderhavige verjaringstermijn al bij de geboorte van [betrokkene 1] is begonnen te lopen, ook al wisten de ouders toen nog niet dat de behandelend arts en het ziekenhuis voor de ontstane schade aansprakelijk konden worden gesteld.

De motiveringsklachten van het middel behoeven daarom geen behandeling, evenmin als de andere middelen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 16 mei 2002;

verwijst het geding naar het gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerder] en het AZVU in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de ouders begroot op € 388,74 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, H.A.M. Aaftink, E.J. Numann en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 31 oktober 2003.