Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AL6828

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-12-2003
Datum publicatie
11-12-2003
Zaaknummer
00096/03
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AL6828
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Het OM kan in opeenvolgende strafzaken een vordering tot tenuitvoerlegging van dezelfde voorwaardelijke straf indienen. Dat dat kan leiden tot onderscheiden executioriale titels schaadt de belangen van de veroordeelde niet, omdat een voorwaardelijke straf niet meer dan één keer kan worden geëxecuteerd. Is de tenuitvoerlegging reeds onherroepelijk gelast, dan ligt niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de vordering tot tenuitvoerlegging in de rede.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 14f
Wetboek van Strafrecht 14g
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2004, 7
NBSTRAF 2004/7
NJ 2004, 310 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 december 2003

Strafkamer

nr. 00096/03

EW/DAT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 14 november 2002, nummer 24/000726-02, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1960, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Groningen van 27 juni 2002 - de verdachte ter zake van 1. "diefstal voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken" en 2. "diefstal" veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde straf.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De plaatsvervangend Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

3. Procesgang

De procesgang is voorzover hier van belang, als volgt geweest:

a. Bij vonnis van de Rechtbank te Groningen van 8 juni 2000 met parketnummer 18/070105-00 is de verdachte veroordeeld tot - onder meer - een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren (hierna: zaak A).

b. Bij inleidende dagvaarding (parketnummer 18/070342-01) is de verdachte gedagvaard om ter zake van - kort gezegd - medeplegen van poging tot diefstal met geweld, gepleegd op of omstreeks 17 juni 2001, terecht te staan ter

terechtzitting van de Rechtbank te Groningen van 27 september 2001 (hierna: zaak B).

c. Voorts is de verdachte bij oproeping (parketnummer 18/070105-00) voor diezelfde terechtzitting opgeroepen voor de behandeling van de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf in zaak A.

d. De Rechtbank te Groningen heeft de verdachte bij vonnis van 28 september 2001 in zaak B vrijgesproken en de vordering tot tenuitvoerlegging afgewezen.

e. Door de Officier van Justitie is op 2 oktober 2001 hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis.

f. Bij inleidende dagvaarding (parketnummer 18/070225-02) is de verdachte in de onderhavige zaak gedagvaard om ter zake van - kort gezegd - diefstal met geweldpleging en diefstal, gepleegd op of omstreeks 10 mei 2002, terecht te staan ter terechtzitting van de Politierechter in de Rechtbank te Groningen van 7 juni 2002 (hierna: zaak C).

g. Voorts is de verdachte bij oproeping (parketnummer 18/070105-00) voor diezelfde terechtzitting opnieuw opgeroepen voor de behandeling van de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf, opgelegd in zaak A.

h. Na verwijzing van de zaak naar de meervoudige kamer heeft de Rechtbank de verdachte bij vonnis van 27 juni 2002 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden en heeft zij de Officier van Justitie niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot tenuitvoerlegging.

i. Door de Officier van Justitie is op 3 juli 2002 en namens de verdachte is op 4 juli 2002 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de Rechtbank.

j. Het Hof heeft bij arrest van 24 september 2002 in zaak B de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf maanden en de vordering tot tenuitvoerlegging van de in zaak A opgelegde voorwaardelijke straf afgewezen met verlenging van de gestelde proeftijd met een jaar.

k. Namens de verdachte is in zaak B op 27 september 2002 beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het Hof. De Hoge Raad doet heden uitspraak in deze zaak onder nummer 00494/03.

l. Het Hof heeft bij arrest van 14 november 2002 in zaak C (de onderhavige zaak) de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden en de tenuitvoerlegging gelast van de in zaak A voorwaardelijk

opgelegde straf. Tegen dit arrest is het onderhavige cassatieberoep gericht.

4. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Beoordeling van het tweede middel

5.1. Het middel klaagt in de kern dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat in de onderhavige zaak de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf kon worden gevorderd en gelast.

5.2. Het Hof heeft in het bestreden arrest onder het hoofd "Vordering tenuitvoerlegging" het volgende overwogen en beslist:

"Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de meervoudige strafkamer te Groningen d.d. 8 juni 2000, is verdachte veroordeeld tot onder meer zes maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Blijkens het onderzoek ter 's hofs terechtzitting is voormeld vonnis onherroepelijk geworden op 23 juni 2000. De proeftijd is ingegaan op 23 juni 2000. De officier van justitie vorderde d.d. 29 mei 2002 dat last zal worden gegeven tot tenuitvoerlegging van voormelde gevangenisstraf, ten aanzien waarvan bij voormeld vonnis bevel was gegeven, dat deze voorwaardelijk niet zou worden tenuitvoergelegd, om reden, dat verdachte zich voor het einde van voormelde proeftijd heeft schuldig gemaakt aan de onder 1 en 2 telastegelegde feiten.

Nu gebleken is dat verdachte de hiervoor onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd, zal het hof op grond van het vorenstaande, anders dan de vordering van de advocaat-generaal, de tenuitvoerlegging gelasten van voormelde straf. Daaraan staat niet in de weg dat in de zaak met parketnummer 070342.01 over de vordering tot tenuitvoerlegging van meergenoemde gevangenisstraf nog niet onherroepelijk is beslist. Het wettelijk stelsel staat immers niet in de weg aan het uitlokken van meerdere executietitels. Het ligt uiteindelijk binnen de bevoegdheid van het Openbaar Ministerie een van deze titels ten uitvoer te leggen."

5.3. De hiervoor onder 3 beschreven gang van zaken komt op het volgende neer. Bij het bestreden arrest heeft het Hof de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijke straf bij gelegenheid van een veroordeling wegens een tweetal door de verdachte in de proeftijd begane strafbare feiten. In een eerdere zaak tegen de verdachte had het Hof na een vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van diezelfde voorwaardelijke straf de proeftijd verlengd, zulks bij gelegenheid van een veroordeling ter zake van een ander door de verdachte - eerder in de proeftijd - begaan strafbaar feit. Het arrest van het Hof waarin laatstgenoemde beslissing was vervat, was ten tijde van het bestreden arrest nog niet onherroepelijk.

5.4. Noch art. 14g Sr noch enige andere rechtsregel staat eraan in de weg dat het openbaar ministerie in opeenvolgende strafzaken ter zake van onderscheiden, voor het einde van de proeftijd begane strafbare feiten, een vordering tot tenuitvoerlegging van dezelfde voorwaardelijk opgelegde straf indient en dat daarop door de rechter (telkens), onverminderd het bepaalde in art. 14f Sr, enige in het eerste en tweede lid van art. 14g Sr bedoelde beslissing wordt gegeven. De omstandigheid dat dat kan leiden tot onderscheiden executoriale titels ter zake van de tenuitvoerlegging van een en dezelfde voorwaardelijk opgelegde straf, schaadt de belangen van de veroordeelde niet, aangezien een voorwaardelijke straf niet meer dan één maal kan worden geëxecuteerd. Wel ligt het in dat verband in de rede dat de rechter die kennis draagt van de omstandigheid dat reeds bij onherroepelijk geworden rechterlijke beslissing de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf is gelast, het openbaar ministerie in de vordering tot tenuitvoerlegging niet-ontvankelijk verklaart.

5.5. Uit het vorenstaande volgt dat het in het middel aangevallen oordeel van het Hof juist is, zodat het middel niet tot cassatie kan leiden.

6. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

7. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, G.J.M. Corstens, J.P. Balkema en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 9 december 2003.