Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AL6238

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-11-2003
Datum publicatie
19-11-2003
Zaaknummer
02784/02
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AL6238
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 9 lid 1 sub b Opiumwet omvat niet de bevoegdheid tot doorzoeking (vgl. HR LJN AH9998). In casu geen sprake van doorzoeking nu slechts enkele dozen zijn verschoven om de toegang tot een daarachter gelegen deur vrij te maken en vervolgens de daarachter gelegen ruimte te betreden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 96c
Opiumwet
Opiumwet 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 611
NJ 2007, 8
NBSTRAF 2003/425
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 november 2003

Strafkamer

nr. 02784/02

IV/IV

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 8 november 2002, nummer 21/001140-02, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboortedatum] op [geboortedatum] 1959, wonende te [woonplaats].

1 De bestreden uitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Zwolle van 13 mei 2002 - de verdachte ter zake van "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, onder C, (oud) van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een geldboete van € 4.800,--, subsidiair 45 dagen hechtenis.

1.2. De aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in artikel 365a, tweede lid, Sv is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. H.K. ter Brake, advocaat te Hoorn, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof het beroep op onrechtmatige bewijsgaring ten onrechte, althans op ontoereikende gronden heeft verworpen.

3.2. In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat de verbalisanten, nadat bij hen de verdenking was ontstaan dat in het perceel [a-straat 1], kennelijk een bedrijfsperceel, "weed" aanwezig was, dat perceel hebben betreden en daar toppen van hennepplanten hebben aangetroffen en inbeslaggenomen.

3.3. Het Hof heeft het door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Ter terechtzitting is door de raadsman van verdachte geconcludeerd tot bewijsuitsluiting omdat de doorzoeking van het pand [a-straat 1] onrechtmatig was. Er is achter dozen gekeken, en er is onder meer een plafond opengebroken.

Het hof verwerpt dit beroep op onrechtmatig verkregen bewijs, aangezien het optreden van de politie voorafgaande aan de inbeslagname van de aangetroffen goederen binnen de grenzen van artikel 9 Opiumwet is gebleven. Het verschuiven van dozen en het openen van een deur achter die dozen gaat niet verder dan wat op grond van artikel 9 Opiumwet is toegestaan bij het bestaan van een redelijk vermoeden van schuld aan een misdrijf tegen de Opiumwet. Het openbreken van het plafond is geschied na de inbeslagneming."

3.4. Het middel stelt zich, kort samengevat op het standpunt dat art. 9 Opiumwet niet aan de gewone opsporingsambtenaar de bevoegdheid verleent tot het doorzoeken van de betreden ruimte en dat - voorzover het Hof zulks niet heeft miskend doch in zijn overwegingen besloten ligt het oordeel dat van een doorzoeking geen sprake is geweest - dat oordeel onbegrijpelijk is.

3.5. Vooropgesteld moet worden dat bij de Wet van 27 mei 1999, Stb 243 tot herziening van het gerechtelijk vooronderzoek (verder ook: de Wet) onder meer opnieuw is geregeld de bevoegdheid van gewone opsporingsambtenaren tot inbeslagneming en de daaraan gekoppelde bevoegdheid om daartoe elke plaats te betreden. In de parlementaire geschiedenis van de Wet wordt onderscheid gemaakt tussen het betreden van de desbetreffende plaats, het aldaar zoekend rondkijken en het inbeslagnemen van voor de hand liggende voorwerpen enerzijds, en het doorzoeken van die plaats anderzijds. Tot dit laatste is in een geval als het onderhavige ingevolge art 96c Sv uitsluitend de officier van justitie of in bepaalde gevallen een hulpofficier van justitie, gemachtigd door de officier van justitie, bevoegd.

Aangenomen moet worden dat na de inwerkingtreding van de Wet bedoelde systematiek ook geldt indien het gaat om opsporingsonderzoek met betrekking tot verdovende middelen. Gelet daarop moet art. 9, eerste lid aanhef en onder b Opiumwet aldus worden uitgelegd dat de aldaar geregelde bevoegdheid om zich toegang te verschaffen tot de desbetreffende plaats, niet omvat de bevoegdheid om die plaats te doorzoeken ( vgl. HR 21 oktober 2003, LJN AH 9998).

3.6. 's Hofs overwegingen komen daarop neer dat er in dit geval geen sprake is geweest van een doorzoeking, nu voorzover hier van belang, slechts enkele dozen zijn verschoven om de toegang tot een daarachter gelegen deur vrij te maken en vervolgens de daarachter gelegen ruimte te betreden. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste opvatting, nu de bevoegdheid tot het binnentreden in een perceel omvat de bevoegdheid om zich de doorgang in dat perceel te verschaffen. Het is in het licht van de gebezigde bewijsmiddelen, met name bewijsmiddel 1, ook niet onbegrijpelijk.

3.7. Het middel faalt dus.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en B.C. De Savornin Lohman, in bijzijn van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 18 november 2003.