Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AL6191

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-11-2003
Datum publicatie
11-11-2003
Zaaknummer
00113/03 E
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AL6191
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Flotatieslib dat is ontstaan na buffering en afscheiding door middel van flokkulanten van het proceswater uit een pluimveeslachterij moet worden aangemerkt als zuiveringsslib in de zin van het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen. 2. Uiteenlopende deskundigenoordelen. Keuze door feitenrechter.

Wetsverwijzingen
Besluit administratieve verplichtingen Meststoffenwet 13
Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen 1
Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen 2
Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen 3
Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen 12
Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen 13
Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen 18
Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen 30
Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen 31
Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen 33
Besluit gebruik meststoffen 1
Besluit gebruik meststoffen 5
Besluit gebruik meststoffen 9
Meststoffenwet 1
Meststoffenwet 7
Meststoffenwet Bijlage B
Wet bodembescherming 7
Wet milieubeheer 22.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 575
Milieurecht Totaal 2003/3110
NBSTRAF 2003/428
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 november 2003

Strafkamer

nr. 00113/03 E

SCR/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, Economische Kamer, van 19 oktober 2001, nummer 21/002644-00, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Economische Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Zwolle van 12 september 2000 - de verdachte ter zake van 1. "overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 6 van de Meststoffenwet (oud), meermalen gepleegd" , 2. "overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 7 van de Wet bodembescherming, opzettelijk gepleegd" en 3. "overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 7 van de Wet bodembescherming, opzettelijk gepleegd" en "overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 7 van de Wet bodembescherming, opzettelijk gepleegd, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging" veroordeeld ten aanzien van feit 1 tot een geldboete van ƒ 7.500,--, subsidiair zeventig dagen hechtenis en ten aanzien van feit 2 en 3 tot een geldboete van vierduizend gulden, subsidiair 45 dagen hechtenis.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het bestreden arrest zal vernietigen en de zaak zal verwijzen naar een aangrenzend Gerechtshof, opdat de zaak op het bestaande beroep met inachtneming van de aanwijzingen van de Hoge Raad opnieuw zal worden berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof, gelet op de verklaringen die twee deskundigen ter terechtzitting in hoger beroep hebben afgelegd, ten onrechte heeft geoordeeld, dat het in de tenlastelegging bedoelde slib valt onder de Meststoffenwet, het Besluit administratieve verplichtingen Meststoffenwet en het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen.

3.2.1. Het Hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte:

"1. in of omstreeks de periode van 2 januari 1998 tot en met 30 juni 1998, te Wezep, in de gemeente Oldebroek, als afnemer van overige organische meststoffen, meermalen bij de aflevering van overige organische meststoffen telkens geen afleveringsbewijs heeft opgemaakt;

2. in de maand augustus 1998, in de gemeente Hattem, opzettelijk een mengsel van dierlijke meststoffen met zuiveringsslib heeft gebruikt op een perceel grasland gelegen aan of nabij de Oostersedijk, terwijl dat mengsel van dierlijke meststoffen met zuiveringsslib niet emissie-arm werd aangewend;

3. a. in 1997 en 1998, in de gemeente Nieuwleusen, opzettelijk, vloeibaar zuiveringsslib heeft gebruikt in een grotere hoeveelheid dan 1 ton droge stof per hectare per jaar op grasland en

b. de V.O.F. [A] in 1997 en 1998, in de gemeente Hattem, opzettelijk vloeibaar zuiveringsslib heeft gebruikt in een grotere hoeveelheid dan 1 ton droge stof per hectare per jaar op grasland, aan welke bovenomschreven gedragingen hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven."

3.2.2. Het Hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als:

"1. overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 6 van de Meststoffenwet (oud), meermalen gepleegd;

2. overtreding van een voorschrift gesteld krachtens

artikel 7 van de Wet bodembescherming, opzettelijk gepleegd;

3. overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 7 van de Wet bodembescherming, opzettelijk gepleegd, en overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 7 van de Wet bodembescherming, opzettelijk gepleegd, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging."

3.2.3. Naar aanleiding van een gevoerd verweer heeft het Hof het volgende overwogen en beslist:

"De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat verdachte flotatieslib heeft betrokken van [B] B.V., welk flotatieslib geen zuiveringsslib is, maar een afvalstof. Daaruit zou voortvloeien dat het onderhavige slib en het mengsel van dierlijke meststoffen en het flotatieslib niet onder de meststoffenwetgeving en het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische afvalstoffen zou vallen en dat verdachte derhalve dient te worden vrijgesproken.

De Meststoffenwet definieert in artikel B.1 aanhef en sub a onder 1 van bijlage B zuiveringsslib als overige organische meststof als zijnde slib dat geheel of in hoofdzaak afkomstig is van een installatie voor de zuivering van huishoudelijk, stedelijk, industrieel dan wel ander afvalwater van soortgelijke samenstelling als huishoudelijk, stedelijk en industrieel afvalwater. Het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische afvalstoffen (nader: BOOM) definieert in artikel 1 aanhef en sub a onder 1 zuiveringsslib op dezelfde wijze.

Verdachte heeft verklaard dat hij slib in zijn bedrijf heeft verwerkt dat werd betrokken van [B] B.V.. [B] B.V., een pluimveeverwerkend bedrijf, heeft vestigingen in [plaats C] en [plaats D]. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat in beide vestigingen een installatie voor thermisch-fysische zuivering aanwezig is. Het betreffende flotatieslib ontstaat na buffering en afscheiding door middel van flokkulanten van het proceswater uit de pluimveeslachterij. Het doel van de afscheiding is het verminderen van het aantal vervuilingseenheden in het afvalwater met circa 80 procent. Hieruit leidt het hof af dat het door verdachte aangewende slib afkomstig is van een installatie voor de zuivering van industrieel afvalwater en onder het begrip zuiveringsslib valt. Het door verdachte aangewende slib en daarmee het mengsel van dierlijke mest en zuiveringsslib valt mitsdien onder de werkingssfeer van de Meststoffenwet, het Besluit administratieve verplichtingen Meststoffenwet en het BOOM. Het hof verwerpt derhalve het verweer."

3.3. Te dezen zijn onder meer de volgende wettelijke regelingen, zoals deze luidden ten tijde van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten, van belang:

a. Wet milieubeheer

- Hoofdstuk 10 Afvalstoffen.

- Hoofdstuk 22 Slotbepalingen

- Art. 22.1, zesde lid:

"Hoofdstuk 10 is niet van toepassing op gedragingen, voor zover daaromtrent voorschriften gelden, die zijn gesteld bij of krachtens:

(...),

de Meststoffenwet,

(...)

behoudens voor zover uit de bepalingen van die wetten of van deze wet anders blijkt."

b. Meststoffenwet

- Art. 1, eerste lid, aanhef en onder d, e en f:

"In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

d. meststoffen: producten die bestemd zijn om

1°. te worden toegevoegd aan grond of aan een groeimedium en die geheel of gedeeltelijk bestaan uit stoffen, organismen daaronder begrepen, of mengsels van stoffen, die als zodanig kunnen dienen om grond of een groeimedium geschikt of beter geschikt te maken als voedingsbodem voor planten;

2°. te worden gebruikt als groeimedium;

3°. te worden gebruikt als voedsel voor planten of delen van planten, voor zover deze producten niet reeds zijn begrepen onder 1° en 2°;

e. dierlijke meststoffen: meststoffen of producten die geheel of grotendeels bestaan uit uitwerpselen van de in bijlage A bij deze wet opgenomen diersoorten, (...);

f. overige organische meststoffen: organische meststoffen, niet zijnde dierlijke meststoffen, die zijn opgenomen in bijlage B bij deze wet."

- Art. 7:

"1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld omtrent het opmaken, bewaren, overleggen en afdragen van gegevens door producenten, handelaren en bedrijfsmatige gebruikers van meststoffen met betrekking tot door hen geproduceerde, in voorraad gehouden, ontvangen, verhandelde en gebruikte hoeveelheden meststoffen, met betrekking tot de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, en met betrekking tot de aantallen gehouden dieren van de onderscheiden diersoorten, onderverdeeld in categorieën per soort, die zijn opgenomen in bijlage A bij deze wet.

2. Het is verboden onjuiste gegevens als bedoeld in het eerste lid op te maken, over te leggen en af te dragen.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld omtrent de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder op verzoek van betrokkenen de gegevens, bedoeld in het eerste lid, geheel of gedeeltelijk kunnen worden doorgehaald, al dan niet onder gelijktijdige vervanging van deze gegevens door andere gegevens."

c. Bijlage B bij de Meststoffenwet:

- Art. B1, aanhef en onder a:

"Onder overige organische meststoffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel f, worden de volgende meststoffen verstaan:

a. zuiveringsslib, zijnde:

1°. slib, dat geheel of in hoofdzaak afkomstig is van een installatie voor de zuivering van huishoudelijk, stedelijk, industrieel dan wel ander afvalwater van soortgelijke samenstelling als huishoudelijk, stedelijk en industrieel afvalwater;

2°. slib, dat geheel of in hoofdzaak afkomstig is van sceptictanks en andere installaties voor de verzameling, afvoer en behandeling van afvalwater met uitzondering van vet- en zandvangers."

d. Besluit gebruik dierlijke meststoffen (Stb. 1997, 601)

- Art. 1, eerste lid:

"In dit besluit en de daarop berustende bepalingen (...) wordt verstaan onder:

a. dierlijke meststoffen: meststoffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Meststoffenwet die geheel of gedeeltelijk bestaan uit uitwerpselen van dieren, waaronder mede wordt begrepen de geheel of gedeeltelijk verteerde maag- en darminhoud van dieren;

b. gebruiken van dierlijke meststoffen: op of in de bodem brengen van dierlijke meststoffen."

- Art. 5, eerste lid:

"Het is verboden dierlijke meststoffen te gebruiken op grasland, bouwland, braakland of niet-beteelde grond, tenzij de dierlijke meststoffen emissie-arm worden aangewend."

- Art. 9:

"Dit besluit is niet van toepassing op het gebruik van mengsels van dierlijke meststoffen met zuiveringsslib, compost of zwarte grond, als bedoeld in het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen."

e. Besluit administratieve verplichtingen Meststoffenwet (Stb. 1997, 587)

- Art. 13, eerste lid:

"Bij aflevering van overige organische meststoffen wordt door de leverancier en de afnemer een afleveringsbewijs opgemaakt."

f. Wet bodembescherming

- Art. 7:

"1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van de bescherming van de bodem regels worden gesteld met betrekking tot het verrichten van handelingen waarbij stoffen die de bodem kunnen verontreinigen of aantasten, aan de bodem worden toegevoegd, ten einde de structuur of de kwaliteit van de bodem te beïnvloeden:

2. Hiertoe kunnen behoren regels met betrekking tot:

a. het op of in de bodem brengen van stoffen die de draagkracht van de bodem beïnvloeden;

b. het op of in de bodem brengen van meststoffen."

g. Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen (Stb. 1998, 86) (hierna: BOOM)

- Considerans:

"Overwegende, dat het noodzakelijk is om zowel in het belang van de bevordering van de deugdelijkheid voor het doel waarvoor meststoffen zijn bestemd als in het belang van de bescherming van de bodem, alsmede ter uitvoering van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 juni 1986, nr. 86/278/EEG, betreffende de bescherming van het milieu, in het bijzonder de bodem, bij het gebruik van zuiveringsslib in de landbouw (PbEG L 181/6), regels te stellen betreffende de kwaliteit en het gebruik van zuiveringsslib, compost en zwarte grond;

Gelet op de artikelen 1, 3, eerste lid, 7, 61, eerste lid, en 64 van de Meststoffenwet voor zover het betreft de artikelen 1, eerste lid, 2 tot en met 11 en (...) van dit besluit, alsmede gelet op de artikelen 6, 7, 15, 65, 91 en 92 van de Wet bodembescherming voor zover het betreft de artikelen 1 en 12 tot en met 38 van dit besluit."

- Art. 1:

"1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. zuiveringsslib:

1° slib dat geheel of in hoofdzaak afkomstig is van een installatie voor de zuivering van huishoudelijk, stedelijk, industrieel dan wel ander afvalwater van soortgelijke samenstelling als huishoudelijk, stedelijk en industrieel afvalwater;

2° slib dat geheel of in hoofdzaak afkomstig is van septictanks en andere installaties voor de verzameling, afvoer en behandeling van afvalwater met uitzondering van vet- en zandvangers;

(...)

g. gebruik van zuiveringsslib, compost of zwarte grond: op of in de bodem brengen van zuiveringsslib, compost of zwarte grond;

(...)

i. emissie-arm aanwenden: gebruiken van zuiveringsslib of een mengsel van dierlijke meststoffen met zuiveringsslib, compost of zwarte grond overeenkomstig de voorschriften die voor de desbetreffende situatie zijn opgenomen in de bij dit besluit behorende bijlage V.

2. Onder dierlijke meststoffen, landbouw, landbouwgrond, bouwland, maïsland, grasland, hectare, grond waarop zich een houtopstand bevindt, natuurterrein, overige grond, tot het bedrijf behorende oppervlakte grond, veenkoloniaal bouwplan en niet-beteelde grond wordt verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van het Besluit gebruik dierlijke meststoffen (Stb. 1987, 114).

3. In afwijking van het tweede lid, wordt voor de toepassing van hoofdstuk 3 van dit besluit, met uitzondering van de artikelen 21 en 25, onder dierlijke meststoffen verstaan: meststoffen als bedoeld in artikel 1 van de Meststoffenwet die geheel of gedeeltelijk bestaan uit uitwerpselen van dieren, waaronder mede wordt begrepen de geheel of gedeeltelijk verteerde maag- en darminhoud van dieren.

4. (...)"

- Art. 2:

"Het is verboden zuiveringsslib, compost of zwarte grond als zodanig te verhandelen indien niet is voldaan aan de voor het desbetreffende produkt bij of krachtens dit besluit gestelde samenstellingseisen en hetgeen overigens bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 10 is bepaald."

- Art. 3:

"Zuiveringsslib dient te zijn behandeld langs biologische, chemische of thermische weg, door langdurige opslag of volgens enig ander geschikt procédé, dat tot gevolg heeft dat het grootste deel van de in het zuiveringsslib aanwezige pathogene organismen afsterft."

- Art. 12, eerste lid:

"1. Het is verboden zuiveringsslib, compost of zwarte grond te gebruiken, indien niet is voldaan aan de in de bij dit besluit behorende bijlagen met betrekking tot de desbetreffende produkten gestelde samenstellingseisen en hetgeen overigens bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 10 is bepaald."

- Art. 13:

"1. Het is verboden in enig jaar zuiveringsslib of compost, een mengsel van deze stoffen, dan wel een mengsel van deze stoffen met dierlijke meststoffen te gebruiken.

2. Het in het eerste lid bedoelde verbod is niet van toepassing, indien de producent respectievelijk de gebruiker (...) aannemelijk maakt dat:

a. (...)

b. met betrekking tot het gebruikte zuiveringsslib, de gebruikte compost of de gebruikte zwarte grond is voldaan aan de in het onderhavige besluit gestelde samenstellingseisen,

c. (...)

3. (...)"

- Art. 18:

"Het is verboden vloeibaar zuiveringsslib te gebruiken in een grotere hoeveelheid dan:

a. (...);

b. 1 ton droge stof per hectare per jaar op grasland."

- Art. 30, eerste lid:

"Onverminderd de artikelen 18 tot en met 21, eerste en tweede lid, 28, 28a en 29 is het verboden zuiveringsslib of een mengsel van dierlijke meststoffen met zuiveringsslib, compost of zwarte grond te gebruiken op bouwland, maïsland of niet-beteelde grond, tenzij het zuiveringsslib of het mengsel van dierlijke meststoffen met zuiveringsslib, compost of zwarte grond emissie-arm wordt aangewend."

- Art. 31, eerste lid:

"Onverminderd de artikelen 18 en 20 is het verboden een mengsel van dierlijke meststoffen met zuiveringsslib, compost of zwarte grond te gebruiken op grasland:

(...)

c. met ingang van 1 januari 1995 gedurende de maanden januari, september, oktober, november en december."

- Art. 33, derde lid:

"Onverminderd de artikelen 21, derde lid, 28, 31 en 32 is het verboden met ingang van 1 januari 1995 zuiveringsslib of een mengsel van dierlijke meststoffen met zuiveringsslib, compost of zwarte grond te gebruiken op grasland, tenzij het zuiveringsslib of het mengsel van dierlijke meststoffen met zuiveringsslib, compost of zwarte grond emissie-arm wordt aangewend."

3.4. Het gaat in deze zaak om de vraag of het onderhavige flotatieslib, afkomstig van pluimveeverwerkende bedrijven, moet worden aangemerkt als zuiveringsslib in de zin van het BOOM dan wel als een (bedrijfs)afvalstof waarop hoofstuk 10 van de Wet milieubeheer van toepassing is. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 oktober 2001 heeft het Hof hieromtrent deskundigen gehoord. Twee van hen (een controle-adviseur werkzaam bij de AID en een beleidsmedewerker van het Ministerie van LNV op het gebied van kwaliteit en gebruik van meststoffen) hebben verklaard dat het hier gaat om zuiveringsslib in de zin van het BOOM. De twee andere - in de toelichting op het middel genoemde - deskundigen (een toezichthouder Wet milieubeheer bij de provincie Overijssel en een beleidsmedewerker milieubeleid bij die provincie) hebben verklaard dat het flotatieslib geen zuiveringsslib is in de zin van het BOOM, omdat het verkregen is door middel van een proces dat als "voorzuivering" kan worden gekarakteriseerd dat niet voldoet aan de eisen van art. 3 BOOM inzake de vernietiging van de in het slib aanwezige pathogene organismen. Blijkens zijn hiervoor onder 3.2.3 weergegeven overwegingen heeft het Hof het standpunt van de eerste twee genoemde deskundigen gevolgd en uiteengezet dat en waarom het onderhavige flotatieslib moet worden aangemerkt als zuiveringsslib in de zin van het BOOM.

3.5. Blijkens de considerans van het BOOM steunen de daarin opgenomen art. 1, eerste lid, en 2-11 op de Meststoffenwet en steunen de art. 1 en 12-38 op de Wet bodembescherming.

Op gedragingen waaromtrent bij of krachtens de Meststoffenwet regels zijn gesteld, zijn ingevolge art. 22, zesde lid, Wet milieubeheer de in hoofdstuk 10 van die wet vervatte voorschriften inzake afvalstoffen niet van toepassing. Genoemd art. 22, zesde lid, bevat geen uitzondering met betrekking tot de Wet bodembescherming. Dat brengt mee dat hoofdstuk 10 Wet milieubeheer van toepassing is op gedragingen waaromtrent tevens bij of krachtens de Wet bodembescherming regels zijn gesteld, zoals de gedragingen als bedoeld in de - op de Wet bodembescherming steunende - art. 12-38 BOOM inzake stoffen als bedoeld in art. 1 van dat Besluit, waaronder zuiveringsslib. Daaromtrent kunnen dus bij of krachtens beide wetten regels worden gegeven. Dit strookt met de Nota van Toelichting (p. 24-25) bij het BOOM van 20 november 1991, Stb. 613 - dat nadien is vervangen door het hierboven vermelde BOOM - waar onder meer wordt gewezen op de toepasselijkheid van de afvalstoffenwetgeving op inrichtingen waar stoffen als de onderhavige worden geproduceerd.

3.6. Omtrent het gebruik - het op of in de bodem brengen - van zuiveringsslib als bedoeld in art. 1, eerste lid, BOOM bevat dat Besluit nadere voorschriften. In art. 12 is onder meer bepaald dat dit gebruik verboden is indien niet is voldaan aan de eis van art. 3 inzake de behandeling van het slib teneinde het grootste deel van de daarin aanwezige pathogene bacteriën te doen afsterven. Voorts bevat art. 13 onder meer een verbod op het gebruik van een mengsel van zuiveringsslib met dierlijke meststoffen, indien de gebruiker niet aannemelijk kan maken dat het gebruikte zuiveringsslib voldoet aan de in het BOOM gestelde samenstellingseisen, waaronder dus de eis van art. 3 inzake de behandeling van het slib.

Daarnaast bevat art. 18 BOOM het verbod op het gebruik van zuiveringsslib in een grotere hoeveelheid dan daar vermeld, en bevatten de art. 30-33 een verbod op het niet emissie-arm aanwenden van onder meer zuiveringsslib en een mengsel van zuiveringsslib en dierlijke meststoffen. Gelet op het doel van de Wet bodembescherming waarop deze bepalingen steunen alsmede het in art. 12 en 13 bepaalde hebben die verboden betrekking op alle vormen van zuiveringsslib, ongeacht of dat zuiveringsslib overeenkomstig art. 3 is behandeld.

3.7. Uit het vorenoverwogene volgt dat het Hof, dat heeft vastgesteld dat het door de verdachte gebruikte slib is verkregen op de wijze als vermeld in art. 1, eerste lid onder 1°, BOOM, terecht heeft geoordeeld dat het hier gaat om zuiveringsslib waarop (mede) de voorschriften van dat Besluit alsmede die van het Besluit administratieve verplichtingen Meststoffen van toepassing zijn. Daarin ligt besloten dat het Hof onjuist heeft geacht de opvatting van de in de toelichting op het middel genoemde deskundigen dat nu het hier gaat om slib dat niet overeenkomstig art. 3 BOOM is behandeld, bedoeld slib niet kan worden aangemerkt als zuiveringsslib in de zin van genoemd art. 1, eerste lid onder 1°, BOOM en dat daarop uitsluitend de regelgeving met betrekking tot (bedrijfs)- afvalstoffen van toepassing is. Het Hof was niet gehouden zijn afwijking van die opvatting nader te motiveren. Het middel faalt dus.

3.8. 's Hofs oordeel is ook overigens toereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen hetgeen door of namens de verdachte ter terechtzitting is aangevoerd alsmede in het licht van de ter terechtzitting in hoger beroep van 5 oktober 2001 door de voorzitter medegedeelde inhoud van de brief van de leverancier van het onderhavige slib, welke brief behelst dat het zuiveringsslib afkomstig is van een (water)zuiveringsinstallatie van het type flocculatie-flotatie, waaraan niet afdoet dat het ongezuiverde water mede dierlijke meststoffen bevatte.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.

4.2. De verdachte heeft op 23 oktober 2001 beroep in cassatie ingesteld. Blijkens een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel zijn deze op 22 januari 2003 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. De zaak is ter terechtzitting van de Hoge Raad van 19 augustus 2003 voor de eerste maal behandeld, hetgeen ertoe leidt dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Het middel is dus terecht voorgesteld. Dat moeten leiden tot strafvermindering.

5. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboetes;

Vermindert de geldboetes in die zin dat de geldboete ter zake van hetgeen onder 1 is bewezenverklaard

€ 3.000,-- bedraagt en dat de geldboete ter zake van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde tezamen € 1.700,--

bedraagt;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 11 november 2003.