Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AL6185

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-11-2003
Datum publicatie
20-11-2003
Zaaknummer
00797/03 B
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AL6185
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Toepassing art. 116 Sv. Nu niet blijkt van een afstandverklaring als bedoeld in art. 116 lid 2 Sv, kon het inbeslaggenomene uitsluitend ingevolge een afzonderlijke rechterlijke beslissing als bedoeld in art. 36b lid 1 sub 4 Sr in verbinding met art. 552f Sv onttrokken aan het verkeer worden verklaard.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 116
Wetboek van Strafvordering 116
Wetboek van Strafvordering 552a
Wetboek van Strafvordering 552f
Wetboek van Strafvordering 36b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 608
NBSTRAF 2003/421
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 november 2003

Strafkamer

nr. 00797/03 B

AGJ/IV

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Breda van 24 januari 2003, nummer RK 02/936, op een beklag als bedoeld in artikel 116, derde lid en art. 552a, van het Wetboek van Strafvordering, gedaan door:

[klaagster], geboren te [geboorteplaats] (Noord-Irak) op [geboortedatum] 1974, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. De bestreden beschikking

De Rechtbank heeft het beklag ongegrond verklaard.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft mr. G.E.M. Later, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden beschikking zal vernietigen en de Officier van Justitie niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vordering.

3. Beoordeling van de bestreden beschikking naar aanleiding van het eerste middel en ambtshalve

3.1.1. Het middel bevat de klacht dat de Rechtbank heeft verzuimd uitdrukkelijk en gemotiveerd te beslissen op het verweer dat de Officier van Justitie in het onderhavige geval niet bevoegd is om met het inbeslaggenomen voorwerp te handelen als ware het onttrokken aan het verkeer verklaard.

3.1.2. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. De Officier van Justitie heeft op 19 september 2002 aan de raadsvrouwe van de klaagster kennis gegeven, onder verwijzing naar art. 116 Sv, dat hij voornemens is te gelasten dat met de onder de klaagster inbeslaggenomen nationale identiteitskaart Irak, nummer [001] wordt gehandeld als was deze onttrokken aan het verkeer verklaard. De klaagster, van wie niet blijkt dat zij een afstandverklaring als bedoeld in art. 116, tweede lid, Sv heeft gedaan, heeft daarop beklag gedaan tegen het voornemen van de Officier van Justitie, stellende dat het desbetreffende document niet vals is alsmede dat aan de Officier van Justitie niet de bevoegdheid toekomt met het inbeslaggenomene te handelen als ware het onttrokken aan het verkeer verklaard. Voorts heeft zij om teruggave van het document verzocht.

Het klaagschrift is behandeld door de Rechtbank in openbare raadkamer van 22 november 2002 en van 10 januari 2003. De Rechtbank heeft bij beschikking van 24 januari 2003 op het klaagschrift beslist.

3.1.3. De Officier van Justitie kan volgens art. 116 Sv, zoals die bepaling is komen te luiden na de daarin door de Wet van 10 mei 2000, Stb. 2000, 204 met ingang van 1 juni 2000 aangebrachte wijziging, alleen indien degene bij wie het voorwerp is inbeslaggenomen heeft verklaard dat het hem toebehoort en deze daarvan schriftelijk afstand heeft gedaan, gelasten dat ten aanzien van dat voorwerp wordt gehandeld als ware het verbeurd verklaard of onttrokken aan het verkeer.

3.1.4. In deze zaak, waarin niet blijkt van een afstandverklaring als bedoeld in art. 116, tweede lid, Sv, kon het inbeslaggenomene dus uitsluitend ingevolge een afzonderlijke rechterlijke beslissing als bedoeld in art. 36b, eerste lid onder 4°, Sr in verbinding met art. 552f Sv onttrokken aan het verkeer worden verklaard, in aanmerking genomen dat door de Officier van Justitie in raadkamer van 10 januari 2003 is medegedeeld dat de klaagster niet vervolgd wordt in verband met het voorhanden hebben van een vals reisdocument.

3.1.5. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de onder 3.1.2 genoemde kennisgeving van de Officier van Justitie geen wettelijke grondslag heeft en dus geen effect kan hebben, hetgeen meebrengt dat de klaagster in een beklag op grond van art. 116, derde lid, Sv niet kan worden ontvangen.

3.1.6. Uit het voorgaande volgt dat de beschikking van de Rechtbank niet in stand kan blijven.

3.2. Het inleidend klaagschrift behelsde ook een verzoek tot teruggave van het inbeslaggenomen identiteitsbewijs. In de bestreden beschikking is geen beslissing omtrent dat verzoek opgenomen. Daarom dient die beschikking ook voorzover is verzuimd op dit verzoek te beslissen te worden vernietigd.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat het tweede middel geen bespreking behoeft en dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden beschikking;

Verklaart de klaagster niet-ontvankelijk in haar beklag tegen het voornemen van de Officier van Justitie het inbeslaggenomen voorwerp aan te merken als onttrokken aan het verkeer verklaard;

Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam opdat de zaak wat betreft het beklag over het uitblijven van een last tot teruggave opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en W.A.M. Van Schendel, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 november 2003.