Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AL6178

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-11-2003
Datum publicatie
11-11-2003
Zaaknummer
00286/03 B
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AL6178
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Het ongecontroleerde bezit van een auto met een vals VIN-nummer is in strijd met het algemeen belang. Dat geldt ook ten aanzien van de onderdelen van een dergelijke auto waarvan de (wederrechtelijke) herkomst niet is kunnen worden vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 36b
Wetboek van Strafrecht 36c
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 574
NBSTRAF 2003/427
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 november 2003

Strafkamer

nr. 00286/03 B

EW/IV

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Maastricht van 14 februari 2003, nummer RK 03/2, gegeven op een vordering van de Officier van Justitie in het arrondissement Maastricht als bedoeld in artikel 552f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, tot onttrekking aan het verkeer, in de zaak tegen:

[klager], geboren te [geboorteplaats] (België) op [geboortedatum] 1943, wonende te [woonplaats] (België).

1. De bestreden beschikking

De Rechtbank heeft de vordering van de Officier van Justitie afgewezen.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel richt zich met een motiveringsklacht tegen de afwijzing van de door de Officier van Justitie gevorderde onttrekking aan het verkeer van de onder de klager inbeslaggenomen auto.

3.2. De bestreden beschikking houdt, voorzover hier van belang, het volgende in:

"De auto waarvan thans onttrekking aan het verkeer wordt gevraagd betreft een door [klager] gemaakte "kop-staart" auto. Na de auto reeds eerder zonder succes in Luxemburg te hebben aangeboden heeft [klager] een keuring aangevraagd bij de RDW te Elsloo.

Goedkeuring is uitgebleven.

Door de keuringsambtenaar werd in het schutbord aan de rechterzijde onder de motorkap een niet door de fabrikant aangebracht VIN-nummer aangetroffen. Onder het cijfer 3 bevond zich het cijfer 8. De auto is daarom in beslaggenomen.

Na de nummers die zich op de motor en de versnellingsbak in de auto bevonden te hebben nagetrokken bleken deze motor en versnellingsbak oorspronkelijk onderdeel te zijn geweest van een auto ten aanzien waarvan [klager] aangifte van diefstal heeft gedaan.

[Klager] zegt dat de voorkant van de auto door hem in 1993 als wrak is gekocht en dat hij voor de achterzijde een andere 129 heeft gebruikt.

Onderzoek naar het oorspronkelijke VIN-nummer heeft geen informatie opgeleverd. Ook van de achterkant van de auto kon de identificatie niet worden vastgesteld.

[Klager] heeft ter terechtzitting meegedeeld dat de waarde van de auto waarvan thans onttrekking aan het verkeer wordt gevraagd €20.000,- a €25.000,- is. [Klager] wenst de auto terug voor onderdelen.

[Klager] heeft als auto-handelaar, die blijkens het proces-verbaal niet al te best bekend staat, van meerdere auto's een nieuwe auto gemaakt. Het voorste deel van de auto heeft een omgekat VIN-nummer. Aangezien het natrekken van de nummers op de motor en de versnellingsbak tot resultaat heeft gehad dat de aangifte van diefstal werd achterhaald, gaat de rechtbank er van uit dat - zou de voorkant van de auto zijn gestolen - bij het natrekken van het oorspronkelijke VIN-nummer eveneens een aangifte zou zijn gevonden. Nu dit laatste niet het geval is, neemt de rechtbank aan dat de voorkant van de auto niet van diefstal afkomstig is.

Onbekend is of de motor en de versnellingsbak nog in de auto, ten aanzien waarvan [klager] aangifte van diefstal heeft gedaan, zaten toen de auto gestolen werd. De rechtbank gaat er daarom van uit dat ook de motor en de versnellingsbak niet van enig misdrijf afkomstig zijn.

De herkomst van de achterkant van de auto is niet te achterhalen. Er is echter geen reden om aan te nemen dat deze achterkant aan een gestolen auto toebehoort.

Tegen [klager] bestaat op grond van het vorenstaande geen verdenking van heling of diefstal doch uitsluitend van het handelen in strijd met de artikelen 219 en/of 220 van het Wetboek van Strafrecht. [Klager] heeft ter terechtzitting uitdrukkelijk toegezegd dat hij deze auto niet in het verkeer zal brengen maar zal demonteren en alleen de auto-onderdelen zal gebruiken. De rechtbank acht deze toezegging geloofwaardig gezien het feit dat [klager] ondanks het feit dat deze auto reeds eerder ter keuring is aangeboden en afgewezen nogmaals heeft geprobeerd de auto te laten goedkeuren en als handelaar geen belang heeft bij een niet goedgekeurde auto. Na het vakkundig demonteren van de auto resteren onderdelen waarvan het ongecontroleerde bezit niet langer in strijd is met de wet. Afweging van de belangen van [klager] bij het kunnen gebruiken van de auto-onderdelen tegen afweging van het algemeen belang dient naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op de hoge waarde van de auto, in het voordeel van [klager] uit te vallen. De vordering van de officier van justitie zal derhalve worden afgewezen. De rechtbank gaat er van uit dat de officier - als zij tot teruggave overgaat - de auto bij de Domeinen door [klager] onder toezicht dusdanig laat demonteren dat met de auto niet langer kan worden gereden."

3.3. Naar de Rechtbank heeft vastgesteld is de onder de klager inbeslaggenomen auto, die volgens deze in zijn geheel een waarde van € 20.000,-- à € 25.000,-- zou hebben, door de klager uit onderdelen, afkomstig van diverse auto's, samengesteld, waarbij de motor en de versnellingsbak oorspronkelijk onderdeel zijn geweest van een auto ten aanzien waarvan de klager aangifte van diefstal had gedaan en waarbij de (wederrechtelijke) herkomst van de in de bestreden beschikking vermelde onderdelen niet is kunnen worden vastgesteld. Voorts heeft de Rechtbank vastgesteld dat de auto onder de motorkap is voorzien van een valselijk aangebracht voertuigidentificatienummer (VIN-nummer). Ten slotte heeft de Rechtbank vastgesteld dat met betrekking tot de auto in zijn geheel het in de art. 219 en/of 220 Sr omschreven strafbare feit is begaan.

3.4. In aanmerking genomen dat het een feit van algemene bekendheid is dat voertuigen die zijn voorzien van een vals VIN-nummer geheel of gedeeltelijk van diefstal of een soortgelijk misdrijf afkomstig plegen te zijn, dat het ongecontroleerde bezit van dergelijke voertuigen afbreuk doet aan een effectieve voorkoming en bestrijding van met gestolen auto's bedreven handel en dat daarvan tevens een bevorderende werking op diefstal van auto's uitgaat, is het ongecontroleerde bezit van de onderhavige auto in strijd met het algemeen belang (vgl. HR 12 november 2002, NJ 2003, 595).

In dat licht is onbegrijpelijk de overweging van de Rechtbank dat bij afweging van het belang van de klager bij het kunnen gebruiken van de auto-onderdelen tegen het algemeen belang, die afweging, mede gelet op de hoge waarde van de auto, in het voordeel van de klager moet uitvallen. De vorenaangeduide strijd met het algemeen belang bestaat immers ook in het geval onderdelen van een auto die is voorzien van een vals VIN-nummer afzonderlijk in het verkeer worden gebracht, omdat deze onderdelen, die kunnen worden benut voor het samenstellen van soortgelijke auto's, evenzeer afbreuk doen aan een effectieve voorkoming en bestrijding van met gestolen auto's bedreven handel.

Aldus heeft de Rechtbank haar oordeel dat de vordering tot onttrekking aan het verkeer van de onderhavige auto moet worden afgewezen ongenoegzaam gemotiveerd.

3.5. Het middel treft doel. De bestreden beschikking kan niet in stand blijven.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden beschikking;

Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 november 2003.