Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AL6171

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-11-2003
Datum publicatie
04-11-2003
Zaaknummer
00024/03 E
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AL6171
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Degene die een tankstation drijft in de zin van art. 3 van het Besluit tankstations milieubeheer.

Wetsverwijzingen
Besluit tankstations milieubeheer 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2003/5188
JM 2004/119
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

4 november 2003

Strafkamer

nr. 00024/03 E

AG/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden, Economische Kamer, van 7 oktober 2002, nummer 24/180127-01, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Economische Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Groningen van 17 december 2001 - de verdachte ter zake van "overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer, terwijl het feit opzettelijk is begaan" veroordeeld tot een geldboete van € 2.495,--, subsidiair dertig dagen hechtenis.

1.2. De aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Meijer, advocaat te Veendam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

3. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel keert zich tegen 's Hofs oordeel dat de verdachte moet worden aangemerkt als "degene die een tankstation drijft" in de zin van het hier toepasselijke art. 3 van het Besluit tankstations milieubeheer (Besluit van 20 januari 1994, Stb. 53).

4.2. Genoemd art. 3 luidt, voorzover te dezen van belang:

"Degene die een tankstation voor het wegverkeer type B drijft, dient te voldoen aan de voorschriften (...)".

4.3. Overeenkomstig de tenlastelegging heeft het Hof - voorzover voor de beoordeling van het middel van belang - bewezenverklaard dat de verdachte "als degene die een tankstation voor het wegverkeer type B dreef", welke woorden aldaar zijn gebezigd in dezelfde betekenis als toekomt in voormeld art. 3 Besluit tankstations milieubeheer, niet heeft voldaan aan de in de bewezenverklaring vermelde voorschriften.

4.4. Een nadere bewijsoverweging van het Hof houdt dienaangaande het volgende in:

"Op grond van de volgende, uit de bewijsmiddelen blijkende feiten is het hof van oordeel dat verdachte degene was die een tankstation dreef:

- verdachte was de eigenaar van het tankstation;

- verdachte ondernam alle activiteiten om een nieuw

en aan alle eisen voldoend tankstation te realiseren;

- blijkens de verklaring van de huurder/exploitant van het tankstation heeft verdachte opdracht gegeven tot het aanleggen van de noodinstallatie;

- verdachte heeft bij brief van 13 juli 2000, gericht aan de Regiopolitie Groningen, bevestigd dat hij die opdracht heeft gegeven.

De omstandigheid dat verdachte blijkens zijn verklaring geen huur ontving tijdens de verbouwing van het tankstation maakt het voorgaande niet anders."

4.5. Het Hof heeft, gelet op die vaststellingen, geoordeeld dat de verdachte een zodanige zeggenschap had met betrekking tot het tankstation, dat hij kon worden aangemerkt als "degene die een tankstation drijft". Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting

4.6. Het middel is dus tevergeefs voorgesteld.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 4 november 2003.